Voor en zesje…

Met een volle wasmand loop ik naar zolder. Onderweg werp ik een blik in de kamer van Daan. Hij zit achter zijn bureau met een elleboog naast zijn boek en een hoofd dat in zijn hand leunt. Op zijn hoofd heeft hij zijn koptelefoon en terwijl hij in zijn boek kijkt, murmelt hij wat. Ik denk dat het toverspreuken zijn. Immers Daan staart vaak in boeken en hoopt (en denkt!) dat op deze manier Franse en Duitse woordjes in zijn brein worden opgeslagen. Met een lege wasmand kom ik even later terug en zie Daan nog steeds in dezelfde houding zitten. “Daan”, roep ik. Er komt geen reactie. Ik loop naar hem toe en zodra ik in beeld ben, zet hij zijn koptelefoon af. “Nou, wat goed dat je met huiswerk bezig bent”, zeg ik misschien iets te opgewekt. Want immers je moet altijd met iets positiefs beginnen. De juf in mij is er nog steeds. “Ja”, zucht Daan. Diep. Heel diep. “Waar ben je mee bezig?” vraag ik. “Met Duits”, en wederom zucht Daan. Diep. Heel diep. En in een flits zie ik mezelf. Ooit heb ik ook zo gezeten. Ik herken zijn tegenzin. Maar ik weet van zijn tekortpunten en van zijn goede voornemens om hier wat aan te doen.

“Daan is dit de manier om deze woordjes echt te leren? (vreselijke vraag ik weet het). Ik denk dat je het beter op wrts (een computerprogramma om woorden te oefenen) kunt doen.” “Nee, lukt best zo”, zegt Daan. Ik wil hem nog wat extra motiveren, een hart onder zijn riem steken en hang een verhaal op over hoe belangrijk Duits kan zijn. Voor later. Voor vakanties. En ja, daar gaat het mis. Eens keken mijn kinderen tegen mij op, geloofden ze nog in al mijn praatjes. Nu niet meer. Helaas. “Het is allemaal zinloos, mam. Later ben ik alles weer vergeten. Net als jij. Weet je nog?” Nu zucht ik ook. Natuurlijk weet ik het nog. En mijn kinderen ook. Voor altijd. Ooit heb ik in Duitsland na een vermoeide dag naast Mark in een plaatselijk VVV gestaan. Mark werd uitvoerig geholpen en ik stond er geheel in gedachten verzonken naast. Ineens kwam er vanachter een deur nog een medewerker te voorschijn en stelde mij een vraag. Mijn hersens moesten schakelen. De vraag had ik niet begrepen maar toch gaf ik, terwijl ik wees naar Mark, braaf antwoord: “Ich hoer bij ihm.” Ik hoorde het mezelf zeggen. En achter mij had ons drietal het ook gehoord. Er werd gehoest en geproest en tussendoor hoorde ik een aantal malen hoer, hoer. Ik heb mijn schouders opgehaald en ben buiten, mezelf afvragend hoe mijn ruim 3 jaar vwo Duits in het grote niets kon verdwijnen, op een bankje gaan zitten. Wetende dat ik deze verwarde uitspraak de hele vakantie en naar ik vreesde de rest van mijn leven zou blijven horen. Ich hoer bij ihm. En nu kwam hij dus weer langs. Oké, het argument voor later is van tafel geveegd. Even flitst Einstein door mijn hoofd. Ik heb een tijdje terug een documentaire van hem om tv gezien. Hij hield ook niet van talen. Heeft geen middelbare schooldiploma en heeft zich volledig gestort op de vakken die hij wel boeiend vond. En ach, die man is toch aardig goed terecht gekomen. Maar omdat dit waarschijnlijk niet motiverend gaat werken, hou ik hierover mijn mond. Ons schoolsysteem wil nu eenmaal dat je ook dingen leert die je eigenlijk liever niet leert. Ik denk aan een andere wijze man, mijn man. Mark.
Gisteravond nog hebben we een gesprek gehad over de beren die ik alsmaar weg wil jagen. Dat ik zo graag wil dat alles voor onze kinderen mooi, lief, leuk en gezellig is. En dat ze vooral die dingen moeten doen waar ze blij van worden. Omdat dat dwaze hart van mij ze zo graag gelukkig wil zien. Maar dat het leven nu eenmaal niet altijd leuk is. Er altijd dingen zullen zijn waar je geen zin in hebt. Die moeten. Klaar. Dus stel ik voor om de woordjes beneden te oefenen. En tot mijn verbazing volgt er geen protest. Daan pakt zijn boek en laptop en sloft achter mij aan de trap af. Even later zit hij tegenover mij aan tafel. “Ik oefen wrts tot een 6 want dat is voldoende”, sputtert hij nog even. Ik ken de cijfers van Daan voor Duits en denk: ‘Poeh, hij zet hoog in.’ Maar ik hou wijselijk mijn mond en ga door met het lezen van de krant.

Maar dan. De volgende dag. Een app van Daan. Ik moet naar de stad voor iets lekkers. Want. Tsja. Een 7 voor Duits dat moet je vieren!

0 antwoorden

Laat een reactie achter

Wilt u zich mengen in de discussie?
Voel u niet bezwaard om bij te dragen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *