Kijkers. Makelaar: “Mevrouw, dat daar. Dat moet weg!”

Ons huis staat te koop. Al lang. Heel lang. Een week of zes terug kregen we, na een hele lange tijd, weer eens kijkers. We hadden ons huis grondig opgeruimd, het plafond in de badkamer gewit, plinten vastgezet en ruimte (oftewel rommel in kasten gepropt en spullen onder bedden verstopt) gemaakt. Het waren deze keer oriënterende kijkers en die kopen niet. Maar toch heeft deze bezichtiging zijn nut gehad. Want toen wij zelf, na de bezichtiging, een rondje door ons huis in topvorm liepen, werden we er blij van. En aangezien ons leven er nu anders uitziet dan in de tijd dat we het te koop zetten, komen we tot de conclusie dat we voorlopig nog niet weg willen. Nog een jaartje of twee willen blijven. Dus eigenlijk moet dat bord uit de tuin. Maar ja, er zullen voorlopig heus geen nieuwe kijkers komen. En ach, dat uit de verkoop halen is ook weer zo’n gedoe. En zo blijft ons huis dus te koop staan.

Maar dan belt opnieuw de makelaar. Kijkers. Ik schrik ervan. Hij vertelt dat hij op vakantie gaat en een collega de bezichtiging overneemt. En aangezien deze meneer onze woning nog niet eerder heeft gezien komt hij een half uurtje eerder. Ik vind het allemaal prima.

Deze keer besluit ik het huis te laten voor wat het is. Natuurlijk wel in (zeer) opgeruimde staat. Maar verder niet. Twee dagen later gaat klokslag negen uur de bel. Een nog jonge man, keurig in pak, bruin met wit gestreepte blouse met stropdas en een aktekoffertje, precies zoals een makelaar betaamt, stapt ons huis binnen. We geven elkaar een hand en hij vraagt of ik er klaar voor ben. Terwijl ik voor hem uit de huiskamer inloop, vraag ik me af of ik hem nu moet vertellen dat we ons huis misschien toch liever niet willen verkopen. Ik besluit al snel dat dit geen handig moment is. Draai me om, om te zeggen: “Ja hoor, helemaal.” Maar zodra ik zijn blik zie, houd ik mijn mond. Hij staat middenin de kamer taxerend om zich heen te kijken. Ik weet dat er iets gaat komen. “Mevrouw…”, en ik voel me net een schoolkind dat door haar leraar terecht wordt gewezen, “…dat daar. Dat moet weg.” Terwijl hij dit zegt, wuift hij met zijn arm naar ons skelet. Harry, zoals wij hem noemen, staat al jaren in onze huiskamer. Ooit stond hij bij manlief, biologiedocent, in het lokaal. Maar omdat het skelet niet helemaal meer intact was, hij mist een teen en een vinger, werd het voor de school tijd voor een ander. En zo kwam het skelet bij ons in de huiskamer terecht. Wij zijn er aan gewend en gehecht. En ik heb nu eenmaal een diep ontzag en bewondering voor het menselijk lichaam. Geraamtes vind ik prachtig. Zo mooi hoe mens en dier in elkaar zitten. Meestal heeft Harry iets op of aan en speciaal voor vandaag had ik zijn bokshandschoenen verwijderd. Maar dat blijkt dus niet voldoende. Hij moet weg. Maar hij is nog niet klaar, onze makelaar, ik zie hem met zijn hand door zijn haar strijken zorgvuldig nadenkend over wat hij verder nog wil zeggen. Een paar tellen later heeft hij de juiste woorden gevonden: “Mevrouw, u heeft wel een heel persoonlijk interieur.” Ik besluit het maar als een compliment te beschouwen. Want ik denk (nou ja, ik vind) dat een huis persoonlijk moet zijn. Maar ik weet ook heus wel dat hij dit niet zo bedoeld. Dus even later loop ik met Harry onder mijn arm naar buiten. Ik overweeg even om hem rechtop in de auto op de passagiersstoel te zetten. Het geeft vast leuke reacties hier op de oprit of straks als ik naar mijn werk rij. Maar dan zie ik het serieuze gezicht van de makelaar voor me en één ding is zeker: hij is niet in voor mijn puberale grapjes. Dus leg ik het skelet keurig plat op de achterbank. Daarna loop ik nog met een opgezette krokodil (erfstuk van mijn vader) en een tas gevuld met persoonlijke interieur naar de auto.

De kijkers komen. Lopen een rondje. Het wordt niets.

Onder het avondeten gaat mijn fantasie met mij op de loop: “Stel dat het wel verkocht was, jongens. Stel dat. Wat dan? Een jaar de wereld rond? Dicht bij de zee wonen? In een stad? Of misschien weer een tijdje in een ander land? Of…” Daan onderbreekt mijn plannen. “Mam, stop maar. Ik wil wel naar Arkel (een dorpje verder, hij weet ook al in welke straat) maar verder vind ik het goed zoals het is!” En ach mijn 13-jarige zoon heeft helemaal gelijk. Het is goed zoals het is. En ooit…nou ja, dat zien we dan wel weer.

2 antwoorden
  1. Fred verbeek
    Fred verbeek says:

    Ik vind het wel een mooi motto voor ons beide Ariena: “Verder vind ik het goed zoals het is”. Weer leuk opgeschreven. En zet Harry vooral weer terug.

    Beantwoorden
  2. Mieke
    Mieke says:

    Het komt op het moment dat het het juiste moment is. Stel dat je het toen al verkocht had had je in Arkel gewoont en nu wil je het liefst naar Gorinchem, bedoel maar!!

    Beantwoorden

Laat een reactie achter

Wilt u zich mengen in de discussie?
Voel u niet bezwaard om bij te dragen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *