De tijd van je leven

Onlangs kreeg ik op FB een persoonlijk berichtje. De koopster van een set ansichtkaarten liet weten dat de bestelling in goede orde was ontvangen. En dat ze het kaartje met het gedichtje ‘De tijd van je leven’ had ingelijst en een plekje in haar atelier had gegeven. Ze had een zware periode achter de rug van ernstig ziek zijn. Er was veel verdriet en narigheid geweest. Maar ze was er weer. En hoe. Ze had eindelijk de knoop door gehakt om minder te gaan werken om zo meer tijd door te kunnen brengen in haar atelier om haar schilderkunsten verder te ontwikkelen. Zoals dat wel vaker gaat na een heftige periode wist ook deze vrouw ineens feilloos wat ze wilde (en wat ze niet meer wilde, ook dat). Ze vertrouwde genoeg op zichzelf om te durven kiezen voor verandering. En gunde zichzelf nu die luxe van extra tijd. ‘Iedere keer’, schreef ze, ‘als ik aan het werk ben, glijden mijn ogen langs jouw gedichtje en glimlach ik even.’

Ik moest even slikken van deze lieve woorden. En ik herkende veel van wat zij schreef. Ook bij mij heeft mijn ziekte (een hersenontsteking in 2008) een grote verandering in mijn leven gebracht. Het heeft mij extra bewust gemaakt van de kwetsbaarheid van mijn bestaan. Dat alles zomaar ineens over, voorbij of anders kan zijn. Het heeft ervoor gezorgd dat ik niet wil leven op de automatische piloot of uit gewoonte en dat ik vaker stil sta. Gewoon even kijken of alles gaat zoals ik wil of dingen anders kunnen of misschien anders moeten. En daar is niks ingewikkelds aan. Vaak voel ik dat gewoon in mijn buik. Dat klinkt misschien wat zweverig, maar je buik is een hele goede graadmeter. Waarbij je natuurlijk ook altijd naast je gevoel je verstand dient te gebruiken om juist in te schatten wat mogelijk is. Want het heeft nu eenmaal geen enkele zin om het onmogelijke te willen. Maar soms is er als je alles op een rijtje zet, even onder de loep neemt, veel meer mogelijk dan je in eerste instantie denkt.

Onze belangrijkste verandering dit jaar was de verhuizing van Kedichem – een klein dorpje aan de Linge – naar de binnenstad van Gorinchem. Het bleek niet alleen voor mij maar voor het hele gezin een gouden zet te zijn. Naast dat we gewoon heel erg blij zijn met onze oude stadswoning zorgt deze stap voor nieuwe ontmoetingen, inspiratie, meer mogelijkheden en gemak. Verder mogen we terugkijken op een jaar waarop onze creativiteit steeds meer gezien wordt. En dat is fijn. Want enige tijd terug besloten we om het te gaan proberen. Kijken of het mogelijk was om samen iets neer te zetten.

Met de gedachte: gaat het niet dan hebben we het in ieder geval geprobeerd. Want mislukken is nog altijd beter dan niet proberen. Ik schrijf graag gedichten en werk met drijfhout. Mark ontwerpt en fotografeert graag. Een fijne combinatie waar je allerlei kanten mee op kan. Dus ging Mark i.p.v. vijf, vier dagen in het onderwijs werken en schreef hij zich in als uitgever/vormgever bij de KvK onder de naam Studio Kern. Dit jaar ontstond er een heuse Ruwaard kaartenserie met kaartenrek. Er kwamen meer verkooppunten en het aantal bestellingen op onze site schoot omhoog. We genieten zo van het proces, van het samen bedenken en uitvoeren. En dat wat we maken roep ik van de digitale daken. Ik deel de gedichten, het drijfhoutwerk en de ansichtkaarten online. Mark houdt de site bij en regelt alles rondom het drukken en de verkoop van de kaarten. Ons grote geluk is dat het gezien wordt. De positieve maar ook de kritische reacties (hartelijk dank daarvoor) zorgen dat er nieuwe ideeën ontstaan, dat we in beweging blijven. Natuurlijk is onze kaartenverkoop niets in vergelijking met waar het in de verkoopwereld om draait. Wordt onze omzet daar hard weg gelachen. Maar daar gaat het niet om. Waarom zou ik ons vergelijken met een ander? Het gaat er om hoe wij het vinden. En ik ben allemachtig blij dat het gaat zoals het gaat. Het hoeft niet groot, groter, grootst. Het moet juist klein, overzichtelijk en zonder prestatiedruk. Daar alleen vaar ik wel bij. Dus vind ik ons succesvol niet gezien onze omzet maar omdat het mogelijk is dat te doen wat we zo graag doen. Op vrijdag als we onze dag met een kopje koffie aan de keukentafel starten, voel ik me een rijk mens.

Sinds vorige week hangt er een soort van reclamebord voor ons raam. We wisten lange tijd niet wat we beneden voor het raam wilden en hadden er als nood raamfolie opgeplakt. Het bubbelde en bobbelde. Ik keek al 10 maanden onbewust en bewust om me heen. Of er ergens misschien iets hing waarvan ik dacht: ‘Ja, dat is het!’ En onverwachts viel het kwartje. Bij het naar binnen wandelen van de bibliotheek viel mijn oog op een gedicht dat op iets van glas was afgedrukt en met een ketting voor het raam was bevestigd. Thuis bracht google me naar een site waar je foto’s kon afdrukken op plexiglas. Mark bedacht een constructie met een gordijnrail en nu hangt de ansichtkaart in drieluik voor ons raam. Regelmatig staat er even iemand stil om de tekst te lezen. Er volgt dan iets in de trant van ‘wat leuk’ of het zorgt voor een glimlach. Veel meer hoeft het voor mij niet te doen. Misschien zijn het toch altijd weer die ogenschijnlijke, onnozele, eenvoudige dingen die voor een vrolijke zucht zorgen. Een mens goed doen. Ook mijn ogen glijden bij het opendoen van de voordeur steeds even over de tekst. Misschien dat ik het over een tijdje niet meer zie. Dat kan. Maar voor nu word ik er blij van.

En mocht er ergens diep van binnen bij jou een plan, groot of klein broeden:
Doe, durf en probeer het, 2018 is er een mooi jaar voor!

Fietsen in huis

We wonen nu zes maanden in ons nieuwe huis en willen hier nooit meer weg. Er is slechts één minpuntje aan ons nieuwe onderkomen: de berging. In de binnenstad wonen betekent nu eenmaal vaak dat je aan schuur in moet leveren. Dat was bij ons ook het geval. Negen (race)fietsen, een wasmachine met droger en de nodige schuurmeuk zorgden ervoor dat de berging een heuse uitdaging werd. Een realistische stem in mijn hoofd opperde vooraf: dat past nooit. Maar toch schaften we ingewikkelde ophanghangsystemen voor fietsen aan. Het bleek een kansloze missie. Mijn fiets belandde samen met die van Stijn in de gang en die van Lot en Daan kregen voor ons huis op de stoep een plekje. De overige vijf pasten met veel creatief denkwerk maar net in onze grot (zo noemen we onze berging inmiddels: het is er donker en je moet sluipen en kruipen om dat wat je nodig hebt te vinden).

Een week na deze missie kocht ik de styling guide van de vtwonen en daar stonden foto’s in van fietsen in huis. In de weken erna zag ik in tijdschriften en op Instagram steeds vaker plaatjes langskomen van fietsen binnen. Ze staan werkelijk overal. In de woonkamer, keuken, gang of slaapkamer en ik zag er zelfs één in de badkamer. Echt. Met daarbij teksten als: laat zien wie je bent, fiets als kunstobject, de fiets is een ware interieurcatcher. Vaak hangen er ook nog mooie lampen bij in de buurt, kloppen de meubels, staat er een volmaakte bosje bloemen en loopt er een hippe bewoner door het beeld. Kortom: onze fietsen in huis moest ik niet als ruimtegebrek maar als hip en trendy zien. Op zich best een fijne gedachte. Daarbij komt ook nog dat een nieuw huis goede voornemens met zich mee brengt. Ineens denk ik dat ik in onze nieuwe keuken iedere week appeltaart ga bakken. Of dat de nieuw gekochte planten alleen maar groeiend en bloeiend – in plaats van verpieterd – in de vensterbank zullen staan. Dus toen ik laatst naast mijn zoon aan tafel door een woonblad bladerde en daar weer een fiets – deze keer op een puberkamer – langs zag komen, dacht ik in een flits: misschien kan er wel een fiets op de slaapkamer van Daan. Hij slaapt immers op de benedenverdieping. Een kwestie van even naar binnen rijden, optakelen en klaar. Dus ik hield het blad omhoog. Mijn puber keek me aan en fronste zijn wenkbrauwen. Ik besefte tegelijkertijd dat het ophangen van jassen en tassen al een struikelblok is. Een fiets dagelijks optakelen is geen realistisch beeld van de werkelijkheid. Daan schudde dan ook zijn hoofd en ik liet het tijdschrift weer zakken. Zo bleven de fietsen in de gang en op de stoep voor ons huis.

Voordat we verhuisden, kregen we de nodige waarschuwingen van mensen om ons heen. We moesten – nu we van een veilig ieniemienie dorpje naar de binnenstad gingen – ons antidiefstalgedrag aanpassen. We blijken wat hardleers. Zo heeft de buurvrouw en de postbode al aangebeld dat er sleutels in de voordeur zaten, heeft Daan na een feestje bij thuiskomst de achterklep van onze auto dichtgedaan en hebben we de fietsen al herhaaldelijk niet op slot voor de deur geparkeerd. Conclusie: we voelen ons veilig hier. Dit gevoel veranderde abrupt toen mijn dochter op een ochtend onderaan de trap riep: ‘Maham, mijn fiets is weg!’.

In mijn brein was er maar één conclusie mogelijk en ik riep dan ook onmiddellijk terug: ‘Gestolen!’

Er was me al menig maal op het hart gedrukt dat ik de fietsen voor ons huis ‘s nachts aan een ketting moest leggen. Maar dat was er nog niet van gekomen. Niet handig en verstandig. Stijn zag echter nog wel een voordeel van deze diefstal. ‘Misschien kunnen we wel met een fiets minder doen. Vijf man, vier fietsen. En in nood kunnen we dan ook nog op één van de racefietsen.’ Ik vond het niet eens een slecht plan. Toch liep ik de hele dag met een rot gevoel rond. Dat er voor onze eigen deur een fiets gestolen werd, vond ik gewoon niet fijn. Maar aan het eind van de middag kwam er in de familieapp een foto binnen met daarbij de tekst: gevonden op het station. Mark (die zijn dochter al wat langer kent dan vandaag) had na haar gestolen fiets berichtje even rondgekeken op het station en ja hoor daar stond haar fiets. Gewoon in het rek. En ineens viel bij Lot het kwartje: ‘Ach ja, ik was vrijdag met de fiets naar het station gegaan en ben met een vriendin mee terug naar huis gereden. Mijn fiets heeft gewoon het hele weekend op het station gestaan.’

Dus nu staan er nog steeds twee fietsen in de gang. Vanmorgen bleef ik met mijn wasmand aan het stuur van één van onze stijlobjecten hangen. En terwijl ik wat wasgoed van de grond haalde bedacht ik dat er voor de vtwonen nog een schone taak is weggelegd: laat ze overvolle wasmanden hip en trendy maken.

Ps.: De dag nadat ik dit stukje tikte, is de fiets van Lot echt gestolen. Niet voor ons huis maar op het station. Ze was ‘m vergeten op slot te zetten. Gelukkig zit haar hoofd vast.

Mooi. Dat is ook weer geregeld.

Binnenkort gaan we verhuizen. En ik denk dat we wel het één en ander nodig hebben om dit huis ons thuis te laten worden. Dus gaan we met ons vijven naar Loods 5 in Sliedrecht. Om te vinden waarvan ik eigenlijk niet goed weet wat we zoeken. Maar met het motto ‘om inspiratie op te doen’ is dat probleem weer opgelost. Het is gelukkig erg rustig in de loods. Mijn twee zonen woonwinkelen zelden tot nooit en dat is aan hun reacties te merken. De vraag: ‘Wat is dit dan?’ klinkt herhaaldelijk door het enorme pand. Bij deze vraag worden echter wel steeds andere voorwerpen omhoog gehouden. Zoals: een betonnen huisje, een woonketting, een dromenvanger en een beeldje waarvan ik ook niet weet wat het voor moet stellen. Dan hoor ik Stijn – alsof hij zojuist het ei van Columbus heeft ontdekt – roepen: ‘Ik weet het!’ En hij duwt een labeltje dat vastzit aan een bosje veren onder mijn neus. ‘Je hangt het woord woondecoratie eraan en je kunt alles verkopen.’

Verder hoor ik regelmatig iets in de trant van ‘tsss, echt niet normaal’, en dan weet ik dat ze weer op een prijskaartje hebben gekeken. Maar al vlot neemt hun wooninteresse af en zie ik ze zitten aan tafels en hangen op banken. En ik weet dat de gesprekken die ze voeren heus niet over meubels of over de inrichting van ons nieuwe huis gaan. Ook ik zie vrij snel door de bomen het bos niet meer. En ik betrap mezelf erop dat ik om de 5 minuten zucht: ‘Wat een spullen. Wat een spullen.’ Mijn tempo neemt toe. Iets dat mijn dochter niet ontgaat: ‘Mam, waarom loop je zo snel? Ik ben met een volwassen dochter en zoon en een puberzoon van zestien in een ander tijdperk beland. Waar ik een paar jaar terug nog opvoedkundige tips ter berde bracht, voelt het regelmatig alsof de rollen nu zijn omgedraaid. Het zijn geen kleine kinderen meer. Het zijn ineens mensen met meningen en overtuigingen. ‘Mam, je moet echt iets rustig wandelen, zo zie ik niks’, commandeert Lot. En terwijl ik mijn tempo probeer aan te passen zucht ik: ‘Ik weet het niet Lot. Er is gewoon te veel van alles. Veel te veel. Ik ben er tureluurs van.’

Na een uurtje staan we weer buiten. We hebben niets gekocht. Eenmaal in de auto hoor ik Stijn op de achterbank zonder een greintje ironie in zijn stem zeggen: ‘Mooi. Dat is ook weer geregeld.’ Als ik me omdraai onderstreept zijn gezichtsuitdrukking ook nog eens dat hij het meent. Wat hem betreft is het hele project woonwinkelen in slechts een uurtje gefikst. Ik denk aan ons huis vol. En even flitst het blog van Maud door mijn hoofd. Zij is de verkoopster van ons toekomstige huis en blogt over eenvoudig en rijk leven. Vorige week heb ik op haar blog rondgedwaald (www.eenvoudigenrijk.nl) en ik bewonder de manier waarop zij bezig is met ont-spullen. En alhoewel ik best een voorstander ben van less is more weet ik dat ik me in huis graag omring met mooie en voor ons waardevolle spullen. Maar het kan geen kwaad om op een bewuste manier om te gaan met materiele zaken, met de dingen die je bezit. Wij hebben veel in huis dat gevonden, hergebruikt of zelfgemaakt is. Daarnaast koop ik zo af en toe iets dat met zorg en aandacht is gemaakt. Er zijn veel ware kunstenaars die met hun talent iets unieks maken. Deze spullen maken ons huis eigen en zullen niet gauw verdwijnen. Omdat het spullen zijn waar ik van hou en plezier aan beleef. Iets dat voor massaproductie nou eenmaal vaak niet opgaat. En ineens ben ik het (voor nu) volledig met mijn zoon eens en met een ‘Ja, dit is klaar’ bevestig ik zijn opmerking. En tevreden rijden we met een auto vol niets naar huis.

ps: De schoenenfoto is van een paar jaar terug. Ze maken op winkelgebied dus toch een soort van vorderingen…

Ik wens dat je verandert.

Ik ben wat papieren aan het uitzoeken. Gooi weg en stop het één en ander in mappen. Zo stuit ik – na een aantal saaie documenten – op het diploma van Stijn. En bij het zien van zijn handtekening onderaan het A4-tje schiet ik in de lach. Tegelijkertijd bedenk ik me dat er nog wat foto’s op mijn mobiel staan van dit feestelijke gebeuren. Ik besluit dat het tijd is voor een pauze. (Enig uitstelgedrag bij administratieklusjes is mij niet vreemd.) Dus zit ik even later foto’s en nog wat later – zo gaat dat je belandt van het één in het ander – filmpjes te kijken van zijn diplomering. Het toeval wilde dat onze andere zoon op dezelfde avond maar op een andere school ook zijn diploma in ontvangst mocht nemen. Zo kwam het dat we ons noodgedwongen moesten splitsen. Mark was aanwezig bij Daan. En Lot en ik mochten Stijn live zien stralen. Aangezien we van onze zonen zo veel mogelijk mee wilden krijgen, werd alles ruimschoots vastgelegd. Er is beeldmateriaal in overvloed. Ik pak een kopje koffie, verschuif van tafel naar bank en deze keer klik ik op foto’s en filmpjes van Daan. Misschien komt het door de melancholie van de decembermaand. De tijd van terugblikken. Maar het raakt me. En terwijl ik een traantje wegpink, besef ik dat ik de laatste sporen van hun kindertijd zie. Nu ik toch zit, ‘blader’ ik ook nog even door de foto’s van Lot want jawel, ook zij heeft dit jaar examen gedaan. Het dringt wederom tot me door hoe bijzonder het moederschap toch is. Drie kinderen, drie scholen, drie niveaus en op alle drie even trots. Geen idee hoe het werkt. Maar het is zonder meer iets wonderlijks.

Onder het kijken van al die foto’s en filmpjes vraag ik me terloops af wat er van al de geleerde stof nu al in het grote niets is verdwenen. Het brein kan nu eenmaal niet alles opslaan. Maar waarschijnlijk is het onthouden van wat raakt, prikkelt en inspireert al meer dan voldoende om mee verder te kunnen. Ik zucht. Mijn koffiepauze heeft lang genoeg geduurd. Ik stop het diploma van Stijn in een mapje. De avond voordat hij zijn krabbel plaatste had hij zich hardop afgevraagd hoe hij moest ondertekenen. Een ‘echte’ handtekening had hij immers nog niet. Lot altijd in voor een advies aan één van haar broers riep: ‘Gewoon je naam of een kruisje.’ Dat Stijn de raad van zijn zus heeft opgevolgd is voor eeuwig en altijd zichtbaar. Onder zijn diploma staat zijn voornaam met daar dwars doorheen een kruis.

Ineens wil ik de andere handtekeningen ook zien. Dus vis ik nog twee diploma’s uit de stapel papieren die nauwelijks geslonken is. Ik zie dat Daan zijn voor- en achternaam voluit heeft geschreven met een soort van krul er door. Bij Lot heeft het geheel al meer weg van een heuse handtekening. Bij alle drie staat de naam natuurlijk vast maar de manier waarop deze wordt geschreven moet met de loop der jaren meer vorm krijgen. Bij mij is dat nog steeds niet gelukt. Ik heb geen vaste handtekening. Misschien wat vreemd maar het is wel zo. Mijn handtekening verandert met mijn leven mee. De laatste weken mag ik veelvuldig mijn handtekening zetten. Ook nu is ze anders dan een paar maanden terug. Ik zet extra krullen. Ik zwier mijn naam. Die dansende handtekening komt omdat wij ons huis hebben verkocht en een woning hebben gevonden die helemaal in ons straatje past. Half februari is de overdracht en worden wij vijven de bewoners van een stadswoning in de binnenstad van Gorinchem. Iets wat mij uitermate vrolijk stemt. En dat is terug te zien in mijn handtekening. Nu weet ik ook wel dat het niet altijd handig is om bij iedere fase in je leven een andere handtekening te hebben. Maar ergens is het ook iets moois. Immers je naam blijft altijd hetzelfde, die staat vast. Maar je kan een handtekening schrijven op de manier die bij je past. Bij de mens is het waarschijnlijk niet anders. We zijn in de kern wie we zijn. En toch is het jammer om altijd te blijven wie je bent. Juist het veranderen maakt het leven mooi en boeiend. Ik hoop dat mijn kinderen niet vasthouden aan tradities en gewoontes enkel en alleen omdat het altijd al zo is gegaan en daarom zo moet blijven. Of halsstarrig vasthouden aan hun denkbeelden omdat ze dat nu eenmaal zo vinden. En misschien is dit wel iets wat ik een ieder toewens. Dus:

Ik wens dat je in 2017 verandert door te leven. Door de ontmoetingen en gesprekken met de ander, de muziek, de kunst, de geschreven zinnen, de vastgelegde beelden, de natuur. Want juist door te veranderen word je het meest jezelf. Fijne jaarwisseling!

Brief aan mijn 10-jarige ik.

Ik werd gebeld door de redactie van Libelle-tv met de vraag of ik mee wilde werken aan het online programma Lieve ik. Ik zei ja en kreeg via de mail deze informatie: Schrijf een brief aan je 10 jarige ik. Je staat stil bij de keuzes die je de afgelopen jaren maakte en geeft antwoorden op vragen als: Waar heb ik spijt van? Wat ging er juist goed? Wat had ik anders gedaan? En wat is nu, terugkijkend, echt belangrijk in mijn leven? En ik schreef en las voor de camera deze brief.


schrijven-aan-het-ij


Lieve kleine ik,

Je vindt het heerlijk om te schrijven maar je verstopt je schrift in de kast omdat je bang bent om het te delen. Je gedichten en je dagboek. Bang dat je gedichten niet goed genoeg zijn. Bang dat ze je uit gaan lachen. En bovendien bang dat niemand op jouw simpele levensverhalen en gedachtenspinsels zit te wachten. Maar je zult ontdekken dat we als mens veelal met dezelfde dingen worstelen. Dat je best met dat wat je bezighoudt naar buiten mag komen. Niet om aandacht te trekken en ook niet om zielig te doen. Maar gewoon omdat ieders verhaal, dus ook jouw verhaal, er toe doet. Het maakt wie je bent en wat je doet. Het is iets dat bij je hoort.

Je zit vol toekomstplannen en dromen, kleine ik. Je hebt geleerd om niet te zeuren maar door te gaan. Vol te houden. Zelfs als je wordt overvallen door een hersenontsteking denk je dat als je maar goed genoeg je best doet je leven van voor deze ziekte weer terug kunt krijgen. Maar soms gaan de dingen nou eenmaal niet zoals jij wilt dat ze gaan. Soms mag je opgeven en stoppen met vechten. Dat is geen falen, maar het simpele feit dat het leven niet maakbaar is. Er is bijna niets zo belangrijk dan altijd maar weer de werkelijkheid toelaten in je leven. En dat dat pijn kan doen weet je als je uiteindelijk na 22 jaar je geliefde baan in het onderwijs op moet geven vanwege restverschijnselen van hersenletsel en afgekeurd wordt. Maar tegelijkertijd zorgt het ervoor dat je anders gaat leven.

Op een manier die misschien wel te vergelijken is met strandjutten, iets dat je later graag zal doen. Jij begrijpt dat vast omdat je nu graag in de bossen struint waar je woont. Later loop je langs de kust en raap je mooie stukjes hout op. Terwijl je ronddwaalt bedenk je wat het zou kunnen worden. Wat je ervan kunt maken. En bij het vinden van een nieuw stuk hout, kan dat zomaar weer veranderen. Zie de kansen van het leven als stukjes drijfhout die aanspoelen. Raap ze op en durf. Durf jezelf zichtbaar te maken. Want kansen mislopen omdat je bang bent iets aan de wereld te laten zien omdat het niet goed genoeg zou zijn, en je hart niet volgen omdat schaamte en angst je weerhouden, is veel erger dan een aantal keren je hoofd stoten. Hou dat wat je doet niet voor jezelf maar deel het met anderen. Je zult ontdekken dat dat leidt tot inspiratie, uitdagingen en nieuwe contacten. Uiteindelijk zal je werk in galeries komen te hangen. En komt in 2015 jouw boek ‘Imperfect verklaard’ uit. Wie had dat ooit gedacht?!

Je leven zal niet zo lopen als je had gedacht, maar toch mooier worden dan je had durven dromen. Dus durf! Je vindt dat nu lastig omdat je bedenkt wat er allemaal mis kan gaan. Je ziet de beren op de weg. En natuurlijk gaan er dingen fout. Maar vaak is dat niet erg. Je moet jezelf en de wereld niet meer om van alles en nog wat veroordelen. Wees wat minder streng, wat milder, iets vriendelijker en kijk met wat meer mededogen naar jezelf en naar anderen. En probeer, en dit is echt een gouden tip, de humor van dingen in te zien. Lach om jezelf. Want juist de flaters en blunders zorgen voor onvergetelijke verhalen. Verhalen waar je drie kinderen, die je later zult krijgen, hard om moeten lachen en waarvan ze zullen zeggen: “Weet je nog…?”
Als alles perfect zou gaan zou het maar een uitermate saaie boel worden.

libelle-tv-v-siteNu, 40 jaar later, merk ik dat ouder worden een soort van helderheid verschaft van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Al je onzekerheden, het gedoe, de schaamte, de twijfels die je door de jaren in je hoofd en hart zult verzamelen, durf je steeds meer naast je neer te leggen. Mensen zullen je vertellen dat je het alleen moet doen, dat jij de enige bent die jezelf kunt redden. En meer van dat soort oneliners. Echter, zo zwart-wit is het niet. Want als je het even niet meer weet, zal je zien dat je die ander nodig hebt. Mensen die in je geloven, die voor je zorgen, je laten razen, je troosten, naar je luisteren en bovenal van je houden. En daar draait het om. Want vanaf het moment dat je erachter komt dat er een virus in je hersenen zit en je beseft hoe ziek je bent, is alles onbelangrijk, op één ding na, en dat is de liefde. Dus kleine ik, geloof me. Het is de liefde die zo belangrijk is, de liefde voor elkaar en de liefde voor het leven!

Je grote ik.

We huren even wat fietsen

Mark en ik hebben onze fietsen mee. Voor de 5 jongere onder ons moesten er fietsen komen. Een foldertje bij de Touristinformation vertelde ons dat er op korte afstand bij de Intersport fietsen gehuurd konden worden. Het leek een ‘appeltje-eitje’. De fietsenverhuur bleek een afdeling in de Intersport te zijn: een ons allen bekende sportwinkel. Vol goede moed stapten wij naar binnen. De winkel was groot. Enorm. En de afleiding (voor kinderen die van sport houden is het een heus walhalla) ook. Maar we kwamen toch best snel bij de afdeling fietsen. Ons Frans reikt niet ver dus probeerde de meneer van de fietsenverhuur ons in het Engels te woord te staan. Het was al vrij snel duidelijk dat zijn Engels hetzelfde niveau had als ons Frans. Het zorgde naast verwarring en hilariteit ook voor ongeduld. Zo was Mark nog verwikkeld in een gesprek over dagen en prijzen en bleek het vijftal in ene verdwenen.

Toen het dan eindelijk tijd was om fietsen te passen en te meten, mocht ik de 5 uit de winkel plukken. Één kind stond in een trainingspak voor de spiegel van een pashokje. Zodra hij mij in het vizier kreeg riep hij: “Mooi hé, mam! Alleen kijk”, en hij trok onderaan de broek, “hier zit het te strak daar passen mijn scheenbeschermers nooit onder.” Nummer 2 was dan ook op zoek naar een grotere maat broek. Nummer 3 zat voor een groot tv scherm – hij houdt van geen enkele winkel – de Tour te kijken. Nummer 4 en 5 struinden in een rek met kleding met daarboven in dikgedrukte letters ‘sale’. Mijn oudste zoon haalde een shirt uit het rek en hield hem omhoog. “Deze?”, vroeg hij. “Nee, geen roze”, antwoordde mijn dochter beslist. Ik riep op mijn strengste moedertoon door de winkel “Jongens. Nu. Fietsen passen!”

En eerlijk is eerlijk ze stonden wonderbaarlijk snel weer paraat. De fietsenmeneer had inmiddels wat fietsen klaarstaan. Hij keek naar de 5 op een rij en zei: “I got the bikes for us.” Ik kon er niets aan doen. Wilde hem niet uitlachen. Mijn engelse uitspraak is immers ook rampzalig. Maar het gebeurde. Vanzelf. Lot lachte mee en de rest gniffelde wat. Mark echter bleef serieus. En inspecteerde de fietsen. Ik zag aan zijn gezicht dat het helemaal niks ging worden. Hier gingen we geen fietsen huren. Er volgde een voor mij niet te volgen conversatie tussen Mark en de fietsenmeneer. De vijf verdwenen – zonder op een fiets gezeten te hebben – weer. En ik zei “Mark, ik zit buiten op het bankje.” Een zin die manlief vaker te horen krijgt. Hij is gewend aan mijn bankzitterij. Onderweg naar buiten zag ik dat nummer 1 weer broeken aan het passen was, terwijl nummer 2 advies gaf. Nummer 3 vertelde mij dat Cavendish de touretappe gewonnen had. Maar het kon ook zijn dat hij naar de herhaling had zitten kijken. En dat Cavendish dus de winnaar van gister was. Nummer 4 dwaalde nog in het sales rek en de laatste kwam ik tegen bij de kassa. “Van mijn eigen geld, mam”, zei hij glunderend. Hij heeft sinds een aantal weken een vakantiebaan en zijn eerste salaris is binnen. Hij voelt zich de koning te rijk.

Ik liep naar buiten en ging in de schaduw op het bankje zitten. Bestand 04-08-16 18 54 47In Curaçao hebben ze het wel over ‘de man onder een palmboom’. Ik ben een Europese variant ‘de vrouw op de bank’. In het begin vond ik het lastig dat zodra mijn brein oververhit raakt het voor mij beter is om de rust op te zoeken. Maar inmiddels hoort het bij mij. Is het voor mij en mijn gezin een gegeven. En ben ik zelfs de bankjestijd gaan waarderen. Het zijn de momenten waar ik wat observeer en mijn gedachten laat gaan (alhoewel niet denken en bankjes ook zeer goed samen gaan). En vandaag zat ik mij op het bankje te verbazen over het feit hoe het toch altijd weer mogelijk is dat ogenschijnlijk eenvoudige gezinszaken – zoals fietsen huren – in ene ware missies blijken te zijn.

Wapperend haar

Lot is in Sevilla. Ze loopt daar samen met een vriendin stage op een internationale school. Ze stuurt iedere dag wat foto’s door. Zo hebben we al plaatjes van een 4 sterren hotel (het appartement waar ze drie weken verblijven was bij aankomst nog niet klaar dus de eerste nacht was er een alternatief geregeld), van de school, van de stad, van het eten, nou ja eigenlijk zien we van alles langs komen. En naast deze beelden hoor ik ook nog via onze telefoongesprekjes hoe ze geniet. Ze heeft het meer dan goed. Maar dan gaat donderdagavond laat de telefoon. Ik lig al op bed. Mark neemt op. Het is Lot ze is geschrokken. Erg geschrokken. Mark hoort hoe ze wat overstuur haar verhaal verteld.

Na een gezellig avondje stad gaat ze samen met haar vriendin met de bus weer terug naar huis. Ze stappen uit bij een bushalte – die grenst aan een parkeerplaats – hier vandaan is het nog een minuutje of tien lopen naar hun appartement. Haar vriendin vergist zich en slaat ipv linksaf rechtsaf. Lot loopt wel de goede kant op. En dan komt tot haar grote schrik geheel onverwacht (misschien vanachter de bus maar alles ging zo snel ze heeft geen idee) een man tevoorschijn. Hij trekt hard aan haar haar waardoor zij valt en hij zich over haar heen buigt. Het enige wat ze dan doet is krijsen. Heel hard krijsen. De buschauffeur hoort dit. Lot is hierover nog steeds verbaasd, ik niet. Ik weet dat haar gekrijs mijlen ver reikt. Dan is het een wirwar van gebeurtenissen die elkaar zo snel volgen dat ze voor haar gevoel bijna tegelijkertijd lijken te gebeuren. De buschauffeur stapt uit de bus. En ook haar vriendin snelt haar te hulp. De man schrikt hiervan en rent er vandoor. De buschauffeur holt een stukje achter de man aan terwijl de vriendin voor Lot zorgt. Maar al snel komt de buschauffeur naast de twee vriendinnen staan. Hij heeft de achtervolging opgegeven en vraagt of alles goed is. Als de meiden ‘oké, oké’ herhalen (zij kennen geen Spaans en de buschauffeur spreekt nauwelijks Engels), drukt hij ze met gebaren en wat internationale woorden – zoals no en stop – stevig op het hart om in het donker niet door stille straatjes te wandelen. Toen ik dit hoorde werd ik even overvallen door een schuldgevoel. Wij wonen in een ieniemienie dorpje waar je je geen enkel moment onveilig hoeft te voelen. Wij zijn gewend om in het donker over de dijk naar huis te fietsen. Ik geniet zelfs van deze tochtjes. De stilte, de maan en de Linge die glinstert in het sterrenlicht. Bang zijn, angst in het donker is mij volstrekt onbekend. Misschien heb ik dat te veel aan mijn kinderen doorgegeven. Zo kan Lot als ze in het donker over de dijk naar huis is gefietst bij binnenkomst zeggen: ‘Er waren veel sterren, mam’ of ‘Zo de maan was mooi.’ Misschien had ik haar wat vaker moeten waarschuwen voor donkere stille weggetjes. Ik weet het niet.

De volgende ochtend belt ze weer en vertelt ze mij ook nog eens het verhaal. Ze heeft alleen een schaafwond. ‘Maar mam’, zegt ze ‘vanavond gaan we voor het donker naar huis en ik doe mijn haar voortaan in een knot.’ Alles in mij protesteert. Mijn dochter hoeft niet meer voor het donker thuis te zijn en haar haren die horen te wapperen. Maar ik begrijp haar reactie wel. Tot slot vertelt ze dat ze het zo jammer vindt dat ze doordat ze zo van slag was de buschauffeur niet voldoende heeft kunnen bedanken. Ik kon alleen maar tegen de buschauffeur zeggen ‘thank you, thank you, mam. Ik had nog veel meer willen zeggen.’ De tranen prikken in mijn ogen terwijl ik zeg: ‘Dat is genoeg meisje, heus.’ Maar ze zegt dat ze een doosje chocolade gaat kopen en deze samen met een bedankbrief in het Spaans (lang leve Google Translate) naar de buschauffeur gaat brengen. Het lijkt mij bijna onmogelijk om in deze stad een buschauffeur te vinden. Maar ik weet ook dat als zij iets in haar hoofd heeft…

Vanmorgen kreeg ik een berichtje dat ze de chauffeur gevonden had. Ze heeft hem de chocolade en de brief gegeven. Waarop hij haar twee zoenen – zoenen is toch een soort van wereldtaal – op beide wangen gaf. En ze appte nog een foto door. Ik zie mijn dochter staan voor een fontein en haar gezicht wordt omkranst door uitbundig wapperend haar. Ik kijk er steeds even naar en bedenk hoe bijzonder het is dat volstrekt onbekende mensen er in je leven toe kunnen doen. Mensen die je niet kent, waarvan je geen idee hebt waar ze wonen, hoe ze heten of wie ze zijn. Maar die door dat wat ze zeggen of doen zo van onschatbare waarde zijn. Vandaag is dat voor mij deze Spaanse buschauffeur. En ik weet dat mijn woorden hem nooit zullen bereiken. En toch moet ik het even uit de grond van mijn hart van de (digitale) daken roepen. Dank u wel, lieve Spaanse buschauffeur!

foto wapperend haar 2

Alleen mijn g-spot konden we niet vinden.

Daan mag weer naar Utrecht. Deze keer voor een toelatingstest. Dus gaan we voor de tweede keer deze maand met de bus naar Utrecht Centraal. Vanaf daar is het nog maar een kwartiertje lopen naar het sportcollege. Het is mooi weer. We zijn op tijd. Mijn zoon maakt plannen. Kortom het leven loopt op rolletjes. Maar als we het sportcollege binnenwandelen is het er verdacht stil. De meneer van de receptie bevestigt mijn verontruste gevoel door, zodra wij de reden van onze komst doorgeven, deze te beantwoorden met de opmerking dat hij van geen enkele toelatingstest op de hoogte is. Hij wil dan ook de brief zien waar dit in zou staan. Die brief is via de mail binnen gekomen. Daan doet het nog steeds zonder abonnement maar ik heb sinds kort een heus zakelijk abonnement. Het duurde lange tijd voordat ik mijn prepaid kaart hiervoor in durfde te ruilen. Er zat een zekere angst in mij – omdat ik dat vaak aan de mensheid om me heen zie – dat ik eenmaal ‘altijd en overal bereikbaar’ aan mijn mobiel gekluisterd zou zitten. En drukker met mijn telefoon in de weer zou zijn dan met degene waarmee ik op pad was. Maar goed inmiddels ben ik dus overstag. En dat blijkt nu reuze handig te zijn.

‘Mag ik jouw iPhone, mam? Dan haal ik even op jouw hotspot mijn gmail binnen.’ Ik vind de digitale wereld – de echte trouwens ook – soms nog best ingewikkeld en kijk hoe Daan op knopjes klikt en scrollend lijstjes afwerkt. Tussendoor vertelt hij mij dat het internet reuze traag is en ik niet altijd mijn mobiele data aan moet laten staan. Het duurt eventjes maar na een minuut of tien heeft mijn zoon het mailtje gevonden. We blijken op het verkeerde adres te zitten. We lopen weer naar de receptie en vertellen de meneer dat we er achter zijn waar het mis is gegaan. Het adres in de mail blijkt een andere locatie te zijn en is wederom een kwartier lopen. Eerst waren we te vroeg maar nu te laat. Wat nu?

De meneer sust mijn gedachten met de woorden: ‘Ik bel wel even naar de andere locatie om te vertellen dat jullie iets later zijn. En als jullie goed doorlopen en er binnen een kwartier zijn dan mag je (en hij knikt naar Daan) vast nog meedoen.’ We bedanken de meneer en ik ben zoals altijd weer verbaasd hoe vaak ik iemand tref die me weer in het zadel helpt.

Google maps gaat aan – tsjonge zo blij met mijn abonnement – en wij draven door de Utrechtse straten en komen binnen het kwartier de school binnen vallen. En dan net over de drempel overvalt mij het gevoel van vroeger.

Het gevoel van op tijd een school binnenlopen. Dat ik zo vaak in de basisschoolperiode stiekem applaus verwachtte omdat ik het weer had gehaald om drie kinderen volledig aangekleed en gevoederd op tijd af te leveren. Dat er iemand zou zeggen: ‘Gefeliciteerd, mevrouw Ruwaard! Mijn complimenten, het is u weer gelukt. U en alle andere ouders zijn ware helden.’ Helaas, ook deze keer juicht er niemand. Maar in de euforie van het op tijd zijn, roep ik net iets te luid: ‘We zijn er!’ ‘SSSTT mevrouw zachtjes, we zijn hier bezig met testen’ klinkt het vlak naast me. ‘En ik denk dat jij Daan Ruwaard bent.’ Voordat ik het weet wordt mijn zoon een lokaal binnengeloodst en met de wetenschap dat hij pas over 2 uur klaar is, besluit ik bij de Ikea (die tegenover de school staat) naar binnen te gaan. Mijn brein is wat oververhit. Het is nog geen 10 uur en ik ben bekaf. Dus besluit ik om in het restaurant een kopje koffie te gaan drinken. Ik zit net goed en wel als mijn mobieltje gaat. Het is een vriend die mij al jarenlang de noodzaak en het gemak van een abonnement probeerde in te laten zien. Dus ik vertel hem dat ik nu eindelijk uit eigen ervaring weet hoe handig het kan zijn. ‘Maar’ voeg ik er tot slot aan toe ‘het was toch nog wel een gedoe hoor. We konden mijn g-spot niet vinden.’

Je wat Arien?’

‘G-spot’, herhaal ik en tegelijkertijd besef ik dat ik dingen door elkaar haal. Dus ik probeer uit te leggen dat ik de termen gmail en hotspot wat door elkaar hutsel. Maar als ik de opmerkingen aan de andere kant van de lijn hoor is lachen – zoals wel vaker in het leven – de enige optie die nog rest.

Hij is vijftien en ik ben zijn moeder

Alle drie doen ze dit jaar eindexamen. In ons huis gonst het dan ook van de toekomstplannen. En die verschillen nogal. We hebben de Pabo, een tussenjaar vol reizen/werken en de sportacademie. Eigenlijk wisten ze al vrij snel wat ze wilden, de vraag was alleen waar? Dus bezochten we open dagen in Breda, Dordrecht, Rotterdam, Den Bosch, Eindhoven en Utrecht. Ja, je komt nog eens ergens. En er werden de nodige knopen doorgehakt. Maar ook al weet je wat en waar dan ben je er nog niet. Er zijn toelatingsgesprekken en testen nodig. En in deze fase zitten we nu. Zo komt het dat ik samen met Daan op een doordeweekse dag met de bus naar Utrecht reis. Na drie kwartier komen we aan op Jaarbeursplein en kijken we op  Google Maps. We zijn ruim op tijd en voordat we aan onze speurtocht – zo voelt lopen met Google – beginnen besluiten we nog even op NS Centraal iets lekkers te halen. Daar tussen de wirwar van mensen zie ik ze staan. En natuurlijk wist ik het. Dagenlang hebben krant en scherm mij er uitdrukkelijk op gewezen. Mij met de neus op feiten gedrukt. Dus ik wist het. Maar toch. Ik voel dat de schrik me om het hart slaat.

‘Vreemd, hè Daan?!’ zeg ik half vragend en knik naar de extra beveiliging die in vol ornaat duidelijk zichtbaar langs de kant staat. Ik zie dat wat ik las in werkelijkheid: Op talloze luchthavens en op straat is extra politie zichtbaar aanwezig en patrouilleren militairen. In Nederland wordt naast de vier grote stations ook het Binnenhof extra beveiligd. ‘Uhm, zullen we hier wat halen?’ Terwijl hij mijn vraag met deze wedervraag niet echt beantwoordt lopen we de AH-to-go in. Dus ik vraag nog een keer. ‘Vind je het niet raar die militairen met wapens hier?’ ‘Nou mam in Italië – hij is net terug van een uitwisselingsproject – is dit heel normaal. Daar staan ze overal: bij de toren van Pisa, in Florence, bij kerken. Daar is het heel gewoon.’ En terwijl hij een zakje snoep uitzoekt, spookt het woord gewoon door mijn hoofd. Gewoon, denk ik, god straks groeit hij op met het idee dat dit gewoon is. En dat wil ik niet. Dit mag hij niet gewoon vinden en hij mag er al helemaal niet aan wennen. Ik reken de winegums af en vervolg mijn vragenvuur. ‘Vind je dit gewoon dan?’ ‘Nou, het is nodig en het geeft mensen een veilig gevoel.’ Ik kijk hem aan. Veilig, denk ik, bij mij roept het juist een gevoel op dat het hier reuze gevaarlijk is. ‘En bij jou?’ vraag ik. Hij haalt zijn schouders op en zegt: ‘Ik weet het niet. Maar je hoeft niet bang te zijn.’ Ik kijk hem aan. Zijn haar zit zoals altijd wat warrig en in zijn ogen zie ik geen spoortje onrust. Ook zie ik dat zijn onlangs gekochte sportschoenen alweer rafelrandjes vertonen. Het gevolg van altijd en eeuwig op ieder veldje, pleintje en Cruyff-court balletjes trappen. ‘Maar soms mag je best bang zijn voor alles wat erin in de wereld gebeurt. Toch?!’ ‘Je mag best bang zijn. Maar mam de meeste mensen zijn oké. Die willen gewoon leven. En dat wil ik ook. Blijven doen wat ik wil doen. Aanslagen kunnen overal gebeuren maar de kans dat het hier en nu gebeurt is erg klein. Dus laat je niet bang maken.’ Hij scheurt het zakje open en neemt een snoepje. Met volle mond vraagt hij om mijn iPhone zodat Google Maps ons naar de sportacademie kan leiden. En terwijl ik in mijn tas rommel besef ik ineens dat ik degene ben die vragen stelt en hij mij probeert gerust te stellen. Hij is vijftien en ik ben zijn moeder.

En toen kregen wij bezoek van het Ministerie van Economische Zaken

In onze jaren op Curaçao was Lot helemaal weg van al wat daar rondsloop en kroop. Zo ving ze hagedissen om die vervolgens in haar slaapkamer weer vrij te laten. Niet alleen omdat ze dat gezellig vond maar ook omdat deze ‘vrienden’ muggen vingen. Ook de leguanen die op de porche (veranda) en in de tuin rondhingen konden rekenen op haar aandacht. Eenmaal terug in Nederland miste zij deze beesten. Terwijl Stijn een kat kreeg, ging Mark (die de liefde voor deze beesten deelt) met Lot naar de dierenwinkel. Daar werden wat reptielen met toebehoren gekocht. Maar ze zag ook twee schilpadden. En nou ja, ze was bijna jarig. Dus…

De jaren verstreken. Een vriendje, de school en een bijbaantje maakten dat ze minder tijd had. En daarom besloot ze om voor haar schildpadden een nieuw goed baasje te zoeken. Via Marktplaats kwam Lot in contact met een geïnteresseerde familie. Er werd driftig over en weer gemaild. En na telefonisch contact raakte Lot ervan overtuigd dat haar schildpadden daar heen moesten. En zo geschiedde.

 

Enige maanden later wordt er aangebeld. Stijn – die op deze doordeweekse middag alleen thuis is – doet open. De twee meneren op de stoep stellen zich voor als werknemers van het Ministerie van Economische Zaken en vragen of Stijn iets af weet van de schildpadden. Onze zoon weet natuurlijk dat ze verkocht zijn. Maar het hoe, wie en wat is hem totaal ontgaan. Hij heeft werkelijk geen idee. De twee meneren hebben vrij snel door dat ze hier niet echt wat mee opschieten en nemen al rap afscheid met de woorden: ‘We nemen binnenkort contact op met je ouders om een afspraak te maken.’ En zo komt het dat Mark een klein weekje later met het Ministerie van Economische Zaken om de tafel zit. Want er is een probleem. De door ons verkochte schildpadden blijken niet over de juiste papieren te beschikken. Er mist een Citesverklaring. Voor het handelen en bezitten van beschermden planten of dieren heb je een certificaat nodig. Onze schildpadden blijken in deze categorie te vallen. En wij hebben aan de nieuwe eigenaar wel een overdrachtsverklaring (die wij bij de aankoop in de dierenwinkel hadden ontvangen) overhandigd maar geen Citesverklaring. En, zo vervolgt het ministerie de uitleg, in Nederland ben je als koper verantwoordelijk voor hetgeen je koopt. We hadden ons bij de koop van deze twee schildpadden in de regelgeving moeten verdiepen. Maar daar hebben we gewoonweg nooit over nagedacht. Weer bij de dierenwinkel aankloppen heeft geen zin. Immers de winkel bestaat niet meer en de toenmalige eigenaar is inmiddels overleden.

Dus ja. Wat nu.

Het ministerie besluit (dat is nu eenmaal vaak de oplossing voor als je het niet weet) een onderzoek te starten en een rapport op te maken. Wij wachten het rustig af. Maar dat er in deze tijd zo veel zorg, tijd en aandacht – terecht hoor want niemand wil een dubieuze handel in bedreigde diersoorten – aan twee Griekse schildpadden wordt gegeven vind ik ook wel een soort van geruststellende gedachte. Toch?!

Marketing

paard van troje

Deze week stond ik met hoofd en verhaal in de Libelle en in de krant EdeStad (‘Imperfect verklaard’ en wat drijfhoutwerk pronken in de etalage van boekhandel Het paard van Troje in Ede). Beide artikelen maakten dat er aandacht was voor de Hersenstichting maar ook voor mijn boek en drijfhoutwerk. Nu doe ik niet aan (win)acties en geef ik weinig tot niets uit aan het promoten van mijn werk. Dat is geen bewuste keuze en iets dat ik in de toekomst vast zal gaan doen. Maar nu is het is er simpelweg gewoon nog niet van gekomen. En toch gaat de verkoop van ‘Imperfect verklaard’ en drijfhoutwerk boven al mijn verwachtingen. En dat komt door jullie. Zo kreeg ik donderdag deze enthousiaste messenger van iemand die mijn boek had gekocht: ‘Ik heb je boek gepromoot onder mijn FB contacten, effe commercieel ha, ha!’ En zo gaat dat. Doordat jullie liken, delen, reageren en mond op mond reclame maken, zijn jullie mijn ‘reclamebureau’. Ik ben oprecht blij en dankbaar voor al deze promotiehulp die er voor zorgt dat mijn werk niet alleen gezien maar ook verkocht wordt. Nu weet ik ook wel dat mijn aantallen in uitgevers en kunstland niets voorstellen. En dat ik nog maar net gestart ben met ‘verkopen’ en ik niet te vroeg moet juichen. Immers 1 zwaluw maakt nog geen zomer. Maar deze ene zwaluw zorgt toch maar mooi voor een fraaie lente en daarin vind ik het meer dan goed vertoeven. Dus dankjulliewel!

De Libelle en mijn geharrewar

Ik ging een paar dagen naar mijn zus in Ede. De plaats waar ik ben geboren en getogen. Ik werd opgehaald bij het station en mijn daadkrachtige zus ontving mij met de woorden: ‘Jenny krijgt vandaag (donderdag) al de Libelle met de post dus we gaan even bij haar langs.’ Zo gezegd zo gedaan. Nu weet ik al weken dat ik in de Libelle kom. Het interview en de fotoshoot – over beide ben ik vol lof – zijn al even terug. Maar als de Libelle opengevouwen op de keukentafel ligt en ik vluchtig wat lees, schrik ik ervan. ‘Straks’, flitst er door mijn hoofd, ‘zien mensen mij alleen nog als die vrouw van die hersenontsteking.’ Ineens ben ik bang dat mensen mij zo omschrijven als ze over mij praten. En natuurlijk is dat ook zo. Maar ik ben niet mijn restverschijnselen van hersenletsel. Ze horen bij mij. Maar ik ben ze niet. Ik ben veel meer dan dat. Of dat ze het erger maken (ik besef heus hoe goed ik uiteindelijk uit de ziekte ben gekomen). Misschien ligt er de laatste tijd teveel nadruk op die hersenen van mij. Maar ja, dank je de koekoek. Ik heb er toch zeker zelf een boek overgeschreven. Dus dan kun je er op wachten, toch? Dat is waar. Maar ook mijn boek gaat over veel meer dan mijn hersenen. En dat en nog veel meer spookt er door mijn hoofd bij het zien van mijn hoofd en verhaal in de Libelle.

Nu ben ik weer thuis. En zit aan mijn eigen keukentafel een Messenger – de reacties van lezeres raken en ontroeren mij – van Helena Kampinga die deze week mijn boek heeft gekocht te lezen. ‘Wat is het een ontzettend mooi boek dat je hebt gemaakt. Dat gaat zowel om inhoud als om uitvoering.’ En ook de wijze woorden van donderdag – gelukkig lieten zowel Jenny als mijn zus van zich horen – gonzen nog na in mijn hoofd. ‘Je hebt een boek geschreven en uitgegeven. Het is het waard om gezien te worden. Als je iets doet moet je het goed doen. Geen half werk daar schiet je niets mee op.’ Het is een waarheid als een koe. Bovendien heeft ook de mooiste boekhandel van Ede ‘Het Paard van Troje’ nu ‘Imperfect verklaard’ in de schappen liggen. Dus mijn geharrewar (dat vast wel weer eens de kop op steekt) is weer klaar.

En voor nu wil ik nog graag kwijt: koop de Libelle of mijn boek:-), lees de interviews en geef om je hersenen! (Van 1 t/m 6 februari 2016 is de collecteweek van de Hersenstichting )

Het waren best veel gaten voor twee planken

‘Ik ga de muur toch opnieuw verven.’ Ik zag deze opmerking al aankomen. Onze Lot is al vanaf de zomervakantie bezig om haar tienerkamer te veranderen in die van een volwassene. Waar in haar vorige kamers mijn smaak duidelijk zichtbaar was, is het deze keer echt anders. Zij bepaalt hoe het wordt. Nu is dat natuurlijk reuze fijn. Want als je kijkt naar de redenen van geluk dan volgt na familie, gezondheid en vriendschap toch voor bijna alle mensen een vaste verblijfplaats. Een plek waar je veilig bent, jezelf mag zijn en waar je zonder schaamte en kritiek je eigen smaak kunt ventileren. En het kiezen van hoe ze haar kamer wil, gaat onze Lot wonderbaarlijk goed af. Er is echter een muur die dwars zit.

gatenOp deze muur heeft ze net na de zomervakantie planken bevestigd. Daarvoor was ze met de boormachine in de weer geweest. En dat gaten boren dat had nog wat oefening nodig. Dus soms ging het niet helemaal goed. En moest het boren opnieuw. Ook kwam de waterpas pas na een aantal gaten in beeld. Kortom het waren heel wat gaten voor twee planken. Maar daar had ze een oplossing voor bedacht. Om de gaten weg te werken werd deze muur gevuld met fotolijsten. Heel veel fotolijsten. De gaten waren inderdaad uit het zicht maar sommige lijstjes vielen een beetje uit de toom.

Dus het verbaasde mij niet dat na een paar weken naar de muur kijken dit toch niet de goede oplossing bleek te zijn. Dus de lijstjes gingen van de muur en de gaten moesten met vulmiddel gevuld.lotte verven ‘Alleen het gaatje vullen, goed laten drogen, daarna een beetje opruwen’ en met dat advies gingen wij de deur uit. Toen wij terugkwamen had zij het muurtje al geverfd. Ik hoorde Mark eens diep zuchten: ‘Lot de plekken rond het gaatje met vulmiddel zijn glad en de rest van de muur is met structuurverf gedaan. Dat ga je zien.’ Maar het schemerde, de verf was nog nat en mijn dochter had een rotsvast vertrouwen dat het goed zou komen met die muur van haar. De volgende ochtend loop ik haar kamer in. ‘En?’ ‘Ik denk van wel’, antwoordt ze wat aarzelend. Ik kruip even naast haar in bed. Het is nog donker maar ik weet als straks het daglicht door de ramen haar kamer binnen schijnt de werkelijkheid zichtbaar wordt. Dus ik zeg: ‘Na het ontbijt gaan we naar de verfwinkel voor deskundig advies. ’Zo gezegd zo gedaan. De meneer in de verfwinkel wist gelijk raad met ons probleem. Alabastine Beton Effect dat was de oplossing voor alles. Alle oneffenheden en beschadigingen zouden in een keer verdwijnen. Als sneeuw voor de zon. Dus wij toogden met de emmer naar huis. Mark had nog het een en ander te doen. Maar Lot verzekerde hem dat dit zo makkelijk was het kon niet mislukken. Toen hij even later om het hoekje keek en haar verhitte hoofd zag, zat er natuurlijk maar een ding op.

 

Maar het resultaat mag er zijn. Het is een prachtmuur. Bovendien zie ik in deze beton effect look een mooie achtergrond voor het fotograferen van mijn drijfhoutwerk. En terwijl wij met de nodige kreten en gebaren haar muur staan te bewonderen zegt ze: ‘Als ik ooit een eigen huis heb pap, dan mag jij de muren doen!’ Wat een geluk is het toch om vader te zijn.

Libelle. Interview klaar. Morgen de fotoshoot.

Afgelopen dinsdag had ik een interview met een journaliste van de Libelle. Eigenlijk was het gewoon een fijn gesprek dat bij mij thuis aan de keukentafel plaatsvond. Bij het artikel komt ook een foto van mij. En voor dit plaatje ga ik morgen naar Amsterdam voor een heuse fotoshoot. Om het een en ander goed te laten verlopen heb ik mijn kleding en schoenmaat al door moeten geven en kreeg ik ook nog een mail met onder andere de volgende informatie van het weekblad:

De zaterdagochtend begint met de styling. De styliste heeft voor je geshopt. Samen met haar bepaal je wat er mooi staat. Hierna ga je in de visagie en ook je haar wordt gedaan. Daarna wordt de foto gemaakt.

Nu weet ik me als ik moet poseren voor een foto nooit zo goed raad met mezelf. Ik sta dan ook vaak als ‘een haas kijkend in de loop van het geweer van de jager’ op dat soort kiekjes. En de laatste tijd zijn de foto’s ook nog weleens confronterend. Want ik ben inmiddels 49. Middelbaar. Alles gaat wat meer rimpelen, hangen en lubberen. De aftakeling is reeds een aantal jaren terug in gang gezet. Maar toch. Gisteren zat ik met twee vriendinnen in de sauna. Ik ken beide bijna mijn leven lang. Toen wij 18 waren en onze lijven nog strak en jong gingen we niet bloot in een bubbelbad. Geen denken aan. Nu dus wel. En we kwamen daar in de sauna tot de conclusie dat ouder worden ook zo zijn voordelen heeft. Het verschaft een soort helderheid waar het nou werkelijk om gaat. Dat we al die onzekerheden, het gedoe, de twijfels en schaamte die we door de jaren heen in ons hoofd en hart hebben verzameld steeds meer naast ons neer durven en kunnen zetten. En dat is fijn.

rimpelt 2Wel doen we nog steeds ons best om er leuk uit te zien, en ook nog graag een beetje aantrekkelijk maar wel in normale proporties. Zo werk ik mijn grijze haren bij, gebruik ik antirimpelcrème, lak ik mijn nagels en smeer ik me weldadig in met bodylotion. Maar al die tijd- en geldvretende ouderdomstrotserende middelen…uiteindelijk word je oud. Hoe dan ook. Waar ik me ook regelmatig over verwonder – ik schreef er zelfs een klein gedichtje over – dat juist met het klimmen der jaren ik steeds meer voel dat ik mijn lijf pas. Ik steeds meer ontzag en bewondering krijg voor mijn lichaam. Dat ze toch maar mooi zorgt dat ik loop, reis, liefheb, fiets, zie, hoor, voel en proef. Wonderwel kloppen mijn binnen en buitenkant steeds meer met elkaar.

En mooi. Echt mooi. Wat is dat? Ik denk dan niet aan iemand van 60 met een rimpelloos strak gezicht. Maar aan iemand met lichtjes in de ogen, iemand die zichzelf blijft uitdagen, trots is, die probeert, leert, het avontuur zoekt, deelt en inspireert. Dat is voor mij schoonheid. Zoals deze zomer. Op Curaçao. Ik zag een optreden. Vijf mannen maakten heerlijke muziek. Ze waren niet de jongste meer en halverwege een nummer legde een van de bandleden zijn instrument neer en liep met een brede grijns op zijn gezicht naar een vrouw die net aankwam lopen. Ook deze mevrouw – die volgens onze Europese maatstaven echt veel te dik was – haar gitzwarte haar in een paardenstaart was de 60 wel gepasseerd. Ze begonnen te dansen. Zonder gene. Zonder schaamte. Ze dansten ontroerend mooi. De tranen sprongen in mijn ogen. Ze waren niet bezig met hoe de ander over hen dacht. Maar waren zichzelf. In volle overgave. Fantastisch om naar te kijken. Zonder enige twijfel mooi.

muzikantblogMaar goed voordat dit een te moralistisch stukje wordt, ik trek mijn huid ook weleens strak voor de spiegel en denk dan hoe het zou zijn als… en zucht weleens diep als ik in de spiegel kijk en de vouwen, kreukels en plooien in mijn gezicht zie als ik net wakker ben. Ik ben blij dat ik morgen in professionele handen ben zodat straks de mooiste versie van mezelf in de Libelle staat. Zo is het natuurlijk ook wel weer.

Ps: Het artikel komt in de Libelle nummer 5 van 2016

Eerste exemplaar…

Toen ik in 2008 werd getroffen door een hersenontsteking kende ik niemand van mijn leeftijd die ook te maken had met restverschijnselen van hersenletsel. De Hersenstichting is zeker in die tijd voor mij belangrijk geweest. De uitleg op hun site, het doorverwijzen na relevante websites en organisaties en het feit dat ik er altijd met vragen terecht kon, heeft mij meer dan goed gedaan. Daarbij zet ze alles op alles om hersenen gezond te houden, hersenaandoeningen te genezen en patiëntenzorg te verbeteren. Kortom ik vind het een eer dat Lisette van Beekom op 8 november namens de Hersenstichting het eerste exemplaar van ‘Imperfect verklaard’ in ontvangst wilde nemen.

Verkoop je je werk ook?

Je moet een evenement aanmaken op facebook. Weet je al dat je op instagram volgers kunt kopen? Als je gezien wilt worden op twitter dan is het echt nodig om een keer of zes per dag iets te plaatsen. Waarom hou je geen winacties om meer likes op je fb-pagina te krijgen?

Dit zijn zomaar wat tips die ik krijg van mijn betrokken medemens om mijn marktaandeel in de digitale wereld te vergroten. Nou is dat best wel handig want af en toe ben ik een onhandige Jet in het land der volgers. Bovendien blijk ik de wereld – iets dat ik nooit had bedacht – van ‘Hoe zet je jezelf op de kaart?’ buitengewoon boeiend te vinden. Interessant en verrassend. En ik probeer steeds weer door de bomen in het digitale bos mijn weg te vinden.

Doodeng vond ik het toen ik voor het eerst mijn werk de wereld instuurde. Bang dat dat wat ik maakte en schreef voor mezelf wel leuk was, maar een ander weinig deed. Er bovendien al meer dan genoeg mensen waren die fijne stukjes schreven en mooie dingen maakten. Wat had ik daar nou nog aan toe te voegen. Maar er kwamen lieve reacties. Van mijn achterbuurvrouw, oud-collega, zus en voetbalmannen maar ook van volstrekt onbekende. Mensen die ik nooit eerder had gehoord of gezien. Al deze bemoedigende reacties deden en doen nog steeds hun werk. Dat mijn werk door een aantal mensen gezien wordt, geeft voldoening. Het geeft me het gevoel dat het goed genoeg is, dat ik me niet hoef te generen. En zo zachtjes aan durf ik trots te zijn op wat ik maak en schrijf.

bram v

Een tijdje terug vroeg iemand mij wat ik nou eigenlijk van plan was met mijn werk. Wat ik nou precies wilde. Wat mijn doelen waren. Ik raakte ervan in de war. Ik vind het nu al zo mooi wat ik doe. Maar het valt mij op dat steeds meer mensen mijn plannen willen horen. Ze willen horen van een kader. Want zonder dat loop ik kansen mis. Kansen om het te maken en succes te hebben. Ik krijg voorbeelden van hoe andere het hebben gedaan en dat ik misschien net zo. Of beter. Maar als ik een ding zeker weet is dit het wel; de druk om te presteren, het moeten scoren, succes hebben, concurreren met andere daar voel ik me niet goed bij. Dat hoort niet bij mij.

Op 8 november is mijn boekpresentatie en expositie. Dat voelt als een klein feestje. Dat eigenlijk is ontstaan vanuit het een komt het ander. Het is misschien wel te vergelijken met strandjutten. Ik loop langs de kust en raap mooie stukjes hout op. Terwijl ik verder ronddwaal bedenk ik wat het zou kunnen worden. Wat ik ervan kan maken. En bij het vinden van een nieuw stuk drijfhout kan dat dan ook maar weer zo veranderen. Dat zoekende vind ik fijn. Dat past bij mij.

Ik ben oprecht blij met de mensen die mij volgen en reageren op dat wat ik maak en schrijf. En mij meehelpen dat wat ik doe de wereld in te sturen. Zonder hen zou het niet werken. Die reacties zijn mijn duwtjes en kansen. Zo krijg ik de laatste tijd steeds vaker de vraag of mijn werk te koop is. Er zijn mensen die mijn werk aan de muur of op de kast willen en dat voelt als een groot compliment. Dus nu zijn Mark en ik aan het onderzoeken en bekijken hoe. Want als ik iets doe, wil ik het goed doen. Het serieus nemen. En hoe mooi zou het zijn als we een manier vinden om te kunnen blijven doen wat ik zo graag doe: vliegen naar Curaçao, daar jutten en er thuis iets moois van maken. Eigenlijk, bedenk ik me nu, heb ik dus wel een soort van een plan. Het is de kansen zien die als stukjes drijfhout aanspoelen. En daar iets mee doen. Streven zonder doel. Maar bovenal wil ik genieten van hoe het nu is. In de ogen van een ander stelt dat misschien niet zo veel voor. Maar dat hoeft ook niet. Want het gaat erom hoe ik het vind. En dit kleins voelt voor mij groots. Al met al blijk ik dus toch iets van een plan te hebben. En nog best een goed plan ook, al zeg ik het zelf.

Misschien is het leven wel één grote kettingreactie.

Ik kijk tevreden achteroverleunend uit het raam. De zon komt aarzelend op gang, de wereld is mooi. Maar dan ineens staat mijn trein stil. In Niemandsland. Het duurt een aantal minuten. Er wordt in mijn coupe onrustig geschoven, gedraaid en gemompeld. Dan klinkt er door de intercom dat de trein voor ons in Houten een ‘aanrijding met een persoon’ heeft gehad. En iedereen weet wat daar in treinenland mee wordt bedoeld. Mijn coupé valt dan ook stil. Maar al rap komen de mobieltjes tevoorschijn en wordt de trein gevuld met drukdoende stemmen. Ik ben onderweg naar mijn zus voor een dagje samen. Maar die dag kan ook gerust wat later beginnen. Ik heb geen haast.

Even later kraakt de stem van de conducteur weer door de intercom en hij vertelt ons dat we teruggaan naar station Culemborg, dat iedereen daar vriendelijk wordt verzocht uit te stappen en te wachten op verdere informatie. Tot slot vraagt de conducteur ons om begrip. Zo komt het dat ik samen met mijn mede passagiers zo maar op een doordeweekse dag op station Culemborg beland. En alhoewel het nog wat ochtendfris is, besluit bijna iedereen om buiten voor de kiosk een plekje te zoeken. Ik ben wat achteraf gaan zitten en kijk – dat doe ik nou eenmaal graag – om me heen. Iemand pakt een boek, mensen maken groepjes en praatjes, er wordt op mobieltjes gekeken en koffie (die mogen wij vanwege het ongemak – zoals de NS dit noemt – gratis halen bij de kiosk) gedronken. En er lopen conducteurs rond die tekst en uitleg geven. Dat het politie onderzoek wel een paar uur in beslag gaat nemen. Er voorlopig dus geen treinen richting Houten gaan. De busmaatschappijen in de buurt zijn ingeschakeld en het nu afwachten is wanneer zij bussen beschikbaar hebben. Zo gaat er een klein uurtje voorbij. De gemoederen van een aantal beginnen wat op te lopen. Stemmen worden luider, lichaamstaal verontwaardigder. Twee mannen worden boos. Erg boos. Ze willen weten: Waar de bus blijft, Hoe het zo lang kan duren en Hoe het nou met hun afspraken moet. Een conducteur geeft een stuk rustiger antwoord. Vanaf mijn plek is dat wat hij zegt niet te verstaan. Maar het begrip van de mannen is weg dat is wel duidelijk. Ik zie een stel met koffers – zij moeten een vliegtuig halen – in een taxi stappen. Hoor een auto toeteren waarop twee vrouwen zwaaiend opstaan en iets van een teckel krijgt van zijn baas een bakje water. En terwijl ik dit alles aanschouw, zit ik me op mijn bankje al een tijdje te verbazen hoe het toch mogelijk is dat in precies dezelfde situatie mensen zo verschillend kunnen reageren.

Dan wordt er weer omgeroepen dat er gratis koffie is. Inmiddels heb ik wel dorst en ook trek dus sta ik op en wandel de kiosk in. Achter de balie staat een wat verhitte vrouw – zij heeft het onverwachts zeer druk gekregen hier op het klein stationnetje ‘s morgens in de vroegte – en ik vraag om een koffie. Terwijl ik nog bezig ben een broodje uit te zoeken komt er een vrouw naast me staan. Met mini-jurk, blote benen en laarzen. Ook zij wist vanmorgen niet zo goed om voor de herfst of zomer te kiezen concludeer ik snel. Ze vraagt de verkoopster om de sleutel van het toilet. De verkoopster legt uit dat dit 50 cent kost en dat het alleen voor klanten gratis is. Inmiddels weet ik wat ik hebben wil maar ik voel ook dat het gesprek naast mij de verkeerde kant opgaat. Dus ik probeer wat voorzichtig ‘een kaasbroodje alsjeblieft’ er tussendoor te krijgen. De verkoopster buigt zich voorover naar het brood en ondertussen gaat de mevrouw naast mij stellig verder: ‘De NS heeft mijn koffie betaald dus ik ben klant.’ Net als ik van plan ben om met 50 cent dit dwaze gesprek te beëindigen zegt de vrouw: ‘Het gaat me niet om die 50 cent hoor maar om het principe.’ O hemel, denk ik, principekwesties. En heus ik overweeg me er mee te bemoeien. Wat te zeggen. Weet dat het ergens ook moet. Maar dit soort principekwesties slaan me uit het veld. Altijd.

Ik besluit maar wat te kuchen en het begin en het midden van de volgende zin ontgaan me. Maar de laatste pinnige woorden van de verkoopster zijn : ‘..sleutel krijgen als ik klaar ben.’ Ik reken mijn kaasbroodje af en stop het in mijn tas. De trek is over. Woorden en de manier waarop ze worden gezegd kunnen een mens uit het lood slaan. En ik ontkom er niet aan om me af te vragen hoe een uur terug een mens, die niet meer verder wilde of kon en zichzelf in stukken sprong, kan leiden tot een gesprek als dit. Hoe altijd aan alles, hoe klein of hoe groots ook, iets vooraf gaat. En dat je pas achteraf kunt zeggen wat het effect is van de ene gebeurtenis op een andere. Misschien is het leven wel één grote kettingreactie. Ik zucht eens diep, loop met de koffie in mijn hand naar buiten en hoop nu ook dat de bus snel komt. Want ik ben toe aan mijn zus, haar hond en het Edese bos.

De Douane

Mark en Daan leggen eerst de handbagage op de lopende band. Als het door de scan is geweest, halen Stijn, Lot en ik ze er weer af. Dan is het tijd voor onze koffers. Ik vind het nu toch een beetje spannend. Bij koffer 1 roept de mevrouw achter de scan: ‘Stop, van wie is deze koffer?’ Ik loop naar haar toe en zeg met een iets sneller kloppend hart: ‘Van mij.’ Er komt gelijk nog iemand anders van de douane aangesneld. Ik kijk naar de foto van de scan. Alleen de contouren zijn zichtbaar. En dat ziet er inderdaad wat vreemd uit. ‘Het is hout’, zeg ik. ‘Hout?’, klinkt er verbaasd als antwoord. ‘Ja, drijfhout’, antwoord ik weer en voeg ik er voor alle duidelijkheid aan toe: ‘Dat zit in al onze koffers.’ Ze kijken ons wat ongeloofwaardig aan. We moeten samen met de koffers naar een apart plekje. Daar opent de douanemeneer onze koffers. ‘Hout’, zegt hij. ‘Ja’, antwoord ik ‘Hout.’ Inmiddels is het woord hout wel erg vaak gevallen en besef ik dat het misschien enig uitleg behoeft. Dus vertel ik over het jutten en mijn drijfhoutwerk. Hij wil wat werk zien en zo belanden we via zijn iPhone op mijn site. ‘In onze hightech wereld roept dit het oergevoel op en dat is goed voor de mens’, is zijn reactie. We praten nog wat over dat oergevoel. En de douanemeneer en ik begrijpen elkaar. Voordat hij de koffers weer dichtdoet hangt hij er nog even met zijn neus boven en zegt verrukt: ‘Ik ruik de zee.’ En daarmee is alles in orde. Ik krijg nog een hand met de opmerking dat in alle jaren dat hij nu bij de douane werkt nog nooit iemand met koffers drijfhout langs heeft zien komen. En tsja dat snap ik dan weer niet.

Onverwacht in bikini bij een doping

 

We zijn er al lang niet meer geweest. Dus google ik nog even voordat we op pad gaan. Het volgende verschijnt op mijn scherm:

Playa Kanoa is het enige strand dat zich bevindt aan de noordkant van het eiland en heeft een ruige indrukwekkende kustlijn met hoge golven. Veel lokale mensen komen hier om te surfen. Er is een klein vissershaventje waar gezwommen kan worden. Het is echter niet vergelijkbaar met de stranden die je tegenkomt aan de westkust van Curaçao. Het is ook niet echt spannend (of ontspannend) om hier ‘een dagje aan het strand’ te gaan liggen.

‘Niets veranderd’ is mijn conclusie. We gaan een dagje Noordkust doen en willen op Playa Kanoa een stop houden om iets te drinken en een broodje te eten. Zo gezegd, zo gedaan. Het strand is helemaal leeg als we aankomen. Wel zien we in de verte wat vissers in een bootje, een viertal surfers die de woeste golven te lijf gaan en dobbert er een surfer met twee kinderen op een surfplank wat rond in het vissershaventje.

Er staan drie hutten – op Curaçao zijn deze open ‘huisjes’ met een rieten dak vaak op stranden te vinden – en wij lopen naar de grootste voor de meeste schaduw. Zodra we de lunch op hebben gaan Mark en de kinderen het water in om nog wat te snorkelen. En ik rol in het midden van de hut mijn matje uit voor een dutje. Zodra ik lig, zeil ik in een diepe slaap.

Ergens in mijn slaap hoor ik gezang. Even twijfel ik of het zingen bij mijn droom hoort. Maar dat blijkt – zodra ik mijn ogen open – niet het geval. In ‘mijn’ hut staan een stuk of tien vrouwen en mannen in nette jurken en strakke pakken te zingen. Ik doe mijn ogen weer stijf dicht met het idee dat als ik ze weer opendoe iedereen verdwenen is. Maar niets is minder waar. Er komen alleen maar meer mensen bij. Ik ga overeind zitten en blijf verward om me heen kijken. Het is zo onwerkelijk dat ik even niet weet wat ik er mee aanmoet. Ik staar ernaar alsof er voor mijn ogen een scene uit de musical Sister-act wordt opgevoerd. Inmiddels voel ik me tussen deze uitgedoste mensen uiterst ongemakkelijk in mijn bikini. Ik graai dan ook in onze strandtas maar kan natuurlijk mijn jurkje niet vinden en in mijn paniek trek ik een shirt van Daan aan. Het enige dat ik verder kan bedenken is: zo snel mogelijk de zee in. Ik mompel zonder dat ik echt weet wat maar dat geeft niet want het koor (waar nu ook een aantal mensen in gewaden tussen staan) zingt zonder blikken en blozen onverstoorbaar door.

Nu is er op Playa Kanoa maar 1 plek waar je zonder je tenen aan rotsen en stenen te stoten het water in kan en daar loop ik half verblind door de felle zon in rap tempo – ondertussen het shirt van Daan uittrekkend – naar toe. Half in het water gooi ik het shirt op het strand en zie dan pas dat er iemand in het water staat. En terwijl ik hem passeer zeg ik met een gladgestreken gezicht alsof ik dagelijks mannen in zwarte pakken tot over hun knieën in het water zie: “Bon dia”. En ik krijg een vrolijk “Bon tardi” terug. Nu pas dringt het tot mijn grijze massa door dat de mensen gekleed in gewaden straks gedoopt gaan worden en dat ik zojuist iets van een dominee gedag heb gezegd.

Dan zwemt mijn gezin mij grijnzend tegemoet. Vanaf het water hebben ze mij gade geslagen en hebben een hoop leedvermaak. “Belandde jij zomaar op je matje in een doopdienst”, lacht Mark. “Ja er is een doping, mam”, voegt Stijn er aan toe. Ik mompel, nog steeds wat verward, terug dat het dopen en geen doping is. En mijn zoon reageert met de vraag of het water hier soms heilig is? Ik knik. Want ach, denk ik, terwijl ik om mij heen kijk en luister naar het koor (geen idee wat ze zingen maar God wat klinkt het mooi) sommige plekjes mag je best heilig verklaren.

Noris

Het is 8 uur in de ochtend en de telefoon gaat. ‘Noris!’, roepen Mark en ik tegelijkertijd. In Nederland hoorden we tijden niet van elkaar. Maar nu we weer op haar eiland zijn,  belt onze oud buurvrouw cq oppas van Daan een keer of drie per dag. En dat bellen doet ze het liefst vroeg. Heel vroeg. Zij staat immers zodra het licht wordt – zo rond half 6 op. Dus om 8 uur is haar dag al even bezig (De eerste dag belde ze al om 7 uur en nou ja dan is 8 uur al een hele verbetering). Ze belt maar kort. Wil weten of alles goed is, wat wij die dag van plan zijn en of ze misschien iets voor ons kan doen. Deze keer vraagt ze echter of we willen komen lunchen. Natuurljk willen we dat. Wel vraag ik me af wat we gaan eten. Immers Noris en koken die twee gaan nu eenmaal niet samen.

 

De volgende dag toeteren we rond lunchtijd voor haar huis. Ze komt naar buiten en we worden zoals altijd met een omhelzing zonder zoenen begroet. We gaan buiten op haar porch zitten. En praten – alsof we nooit zijn weggeweest – over alledaagse dingen (over de supermarkt Mangusa die zo groot is geworden) en halen terwijl we uitkijken op ons oude huis wat herinneringen op (over hoe Daan in zijn blootje alsmaar heen en weer liep tussen ons huis en dat van haar). Dan doet het draaien van de zon de schaduwplek verdwijnen en worden we gedwongen om te verhuizen naar de achterkant van het huis. We lopen met onze stoel, als een soort jonkies die hun moedereend volgen, achter Noris aan. We lopen door de kamer en de keuken en nergens is er ook maar iets van een spoor te bekennen dat duidt op een lunch voor 6. Dus vraag ik al lopend: ‘Eten we brood, Noris?’ Ze stopt abrupt en terwijl wij op de rem gaan, draait zij zich verschrikt om en ik zie dat ze haar wenkbrauwen optrekt tot ver boven het montuur van haar bril en ze antwoordt zeer verontwaardigd: ‘Nee, Arienja’ – zij is de enige die aan mijn naam nog een j toevoegt. Brood is voor Makamba’s (Papiaments en betekent Nederlanders). Hier krijg je geen brood hoor.’ Ze draait zich hoofdschuddend om, we lopen weer verder en ondertussen slaakt Noris nog wat “ata’s” om zo haar verbazing wat meer kracht bij te zetten.

Zodra we weer gesetteld zijn zegt ze : ‘Ik sta nooit in de keuken. Dat weet je toch. Ik kan niet koken, Arienja.’ Dan wappert ze met haar arm naar binnen en zegt: ‘Geef de telefoon, Stijn’ (Hier op Curaçao gaat het Nederlands vaak gebiedende wijs; dat is niet vervelend bedoeld maar zo is het gewoon). Stijn geeft haar de telefoon en Noris zegt: ‘Ik bel even om te zeggen dat jullie er zijn.’ Even later stopt er een auto en komen de pannen en schalen te voorschijn. Noris heeft geluk: een van haar vier dochters doet niets liever dan koken voor een ander. Als alles op tafel staat bedenk ik dat ik vanmorgen beter niet had kunnen ontbijten en vanavond niets meer hoef. En misschien is het zelfs genoeg voor morgen. We eten, praten, lachen. Op de vraag of het smaakt zeggen wij volmondig ja, en ik denk dit is echt mijn laatste hap. ‘Gelukkig’, zegt ze ‘en ik heb als toetje zelfgebakken bolo (taart).’ Ik kijk haar aan en ze beantwoordt mijn blik met: ‘Nee Arienja, niet door mij. Ik kan niet koken. Nee hoor.’ En ik weet nu al dat ik haar ga missen.

 

 

Aan die stranden spoelt geen enkel houtje aan

promo drijfhout 2Curacao staat bekend om haar parelwitte stranden en de wonderlijke onderwaterwereld. Nu lig ik graag onder een palmboom aan zee en hebben man en kinderen (zij hebben alle vier hun duikbrevet) mij verzekerd hoe mooi en bijzonder het onder water is. Maar aan die stranden spoelt geen enkel houtje aan. Daarvoor moet je aan de andere kant van Curacao zijn – minder bekend maar minstens zo mooi. Je kunt hier niet zwemmen of duiken daarvoor is de zee veel te woest. Maar er zijn pracht jutplekken. Ik struin zelf het liefst in de vroege ochtend of in de namiddag rond op de Noordkust, de Houtjesbaai of de Sint Jorisbaai. Vandaag hebben we gejut bij de Houtjesbaai en onderweg kwamen we deze roofvogels – Warawara’s – tegen.

warawara 2

Jutten op Curaçao

st jorisbaai kleinHier wakker worden is geen kunst. Er hangen dunne oranje gordijnen voor ons slaapkamerraam waar de zon in de vroege ochtend stralend door naar binnen schijnt en dat in combinatie met een andere wind die door het huis waait zorgt ervoor dat wij rond 7 uur wakker worden. Zo ook vandaag.

‘Nog een paar minuten’, heb ik gemompeld toen Mark uit bed stapte. Ik hoor hem rommelen in de keuken. En dan stap ik ook mijn bed uit en zonder naar buiten te kijken-het weer is hier nogal voorspelbaar-weet ik al wat ik aantrek: korte spijkerbroek, groen hempje en gympen. Dat is deze vakantie mijn juttersoutfit. Ik frummel mijn haar in iets dat voor een soort knot door kan gaan. Douchen dat komt straks. Ik loop de slaapkamer uit en wandel langs de kamers van onze drie pubers. Ramen en deuren staan hier in huis wijd open zodat de wind vrij spel heeft. Zij laten zich niet wekken door de zon maar slapen onverstoorbaar door. Hun hoofden omringt met verwarde door zon, zand en zout gebleekte te lange haren (het o zo nodige kappersbezoek voordat we op reis gingen dat was niet meer gelukt). En onder de witte lakens steken slungelige, zongebrande ledematen uit. Ik sta even stil en verwonder me wederom over het feit dat ze zo goed gelukt zijn die kinderen van ons. Ik wandel door naar de keuken. Krijg een kopje koffie aangereikt van het Nederlandse huismerk Markant. Dat we hier in Willemstad (10 uur vliegen van huis) hebben gekocht. Dan op naar de Sint Jorisbaai mijn favoriete allermooiste jutplek.

Zo vaak ben ik er geweest. En het blijft me verbazen hoe ik toch iedere keer weer op precies dezelfde plek het begin van de dag anders beleef. Alle tinten blauw waaien door het rimpelige water. De zilte zeelucht. De bewegende wolkenpartijen. Ik ben hier zo graag. We vinden wat hout. Mark maakt wat foto’s. Zitten op stenen en boomstammen te zuchten hoe mooi het hier wel niet is. En dan tegen 9 uur zit onze tas vol met drijfhout, gaat de tropenzon feller schijnen en krijgen we trek. Onderweg halen we wat broodjes langs. Thuis zijn de puberlijven ontwaakt. Terwijl zij in kasten rommelen, zich overduidelijk thuis voelen in het huis van onze vrienden en de tafel dekken spoelen wij onze vondsten met de tuinslang af en leggen het hout uit de zee op pallets te drogen in de zon. En ik weet dat geluk voor een ieder anders is. Maar dit hè. Dit is geluk voor mij.

pallet hout klein

Het ontbindingscontract met de uitgever is ondertekend…

Mark en ik hebben een goed gesprek achter de rug. Een gesprek met een deskundige. Over het hoe en wat bij het ontbinden van een contract. Want hoe goed het ook voelde een jaar terug om een contract met een uitgever te ondertekenen. En hoe kundig de eindredacteur en hoe goed de samenwerking. Bij de vormgeving ging het mis. Het struikelblok. De uitgever dacht -wat ik natuurlijk best snap- in kosten en opbrengsten en ik wilde een zo mooi mogelijk boek. Kortom het kwam erop neer dat de uitgever en ik een aantal zaken anders zagen. En dat kan. Natuurlijk. Er volgden een aantal gesprekken en uiteindelijk bleek dat er niets anders op zat dan uit elkaar te gaan. Vandaar dat we hier nu in een kantoortje het ontbindingscontract laten bekijken. Voor de zekerheid. Gelukkig blijkt alles in orde. We babbelen nog even na over het hoe en waarom en dat het boek er heus komt. Het gaat alleen wat anders en het duurt iets langer. Bij het gedag zeggen en handen schudden vraagt de meneer mij: ‘Bent u altijd zo zeker van uw zaakjes?’ Ik knipper even met mijn ogen, schud mijn hoofd en antwoord: ‘U heeft een hele verkeerde indruk van mij. Ik ben nooit zeker van mijn zaak.’ Terwijl ik dat zeg voel ik een arm van Mark over mijn schouders en voordat ik het weet sta ik buiten.

Zeker van mijn zaak. Ik ben altijd verbaasd over het feit dat mijn medemens mij eigenschappen toekent die ik niet bezit. Want als ik inmiddels ergens zeker van ben is het wel dat ik vrijwel nergens zeker van ben. Niets ligt vast, niets is in steen gehouwen. Zo heb ik bijvoorbeeld geen flauw idee of er mensen zijn die mijn boek gaan kopen. Feit is nu eenmaal dat er meer dan een miljoen schrijvers in Nederland zijn. Er tussen de 30 en 40 boeken per dag verschijnen. En ik ook nog eens een alledaags (wat dus ook niet echt helpt) persoon ben. De kans is dus klein dat mijn boek van betekenis zal zijn. Daarbij heb ik ook nog eens gedacht -ik heb er zelfs van wakker gelegen- of mijn boek met o.a. foto’s van mijn drijfhoutwerk het waard is om de wereld in te sturen. En wat men er wel niet van zou denken. Ook dat. Dus je zou je af kunnen vragen waarom ik het dan toch wil. Eigenlijk is het heel simpel. Ten eerste heeft de Hersenstichting een aantal blogs van mij op haar site geplaatst en daarop heb ik veel lieve, warme reacties gekregen. Ik geloof oprecht dat het helpt om je te herkennen in de ervaringen en gevoelens van een ander. Delen werkt. De tweede reden is dat ik gewoon verschrikkelijk graag schrijf. Dat is alles. Want hoe heerlijk is het om jezelf te verliezen in hetgeen je doet. Voor mij is iets creëren een van de grootste geneugten in het leven. Dat mijn leven zin en plezier geeft. Puur het feit dat het werken aan mijn boek zoveel genoegen geeft, maakt dat het boek er komt. En natuurlijk is het heel fijn als het verkocht gaat worden maar mijn geluk of ongeluk hangt niet af van het aantal verkochte exemplaren. Het geluk zit voor mij in het tot stand komen van het boek. In het ermee bezig zijn.

Tussen de boekperikelen door was er nog een vraag die Mark en mij de laatste tijd bezighield: ‘Ga ik (Mark) minder werken om naast mijn onderwijsbaan nog iets te doen wat ik ook graag doe ?’ Het was wikken en wegen. Maar uiteindelijk is het gewoon zo dat als er iets is wat je graag doet je niet moet wachten tot de kinderen groot zijn, de hypotheek is afgelost en meer van dat soort kwesties. Maar het gewoon moet doen. Nu. Dus heeft hij zich sinds kort ingeschreven bij de Kamer van Koophandel om van start te kunnen gaan onder de naam Studio Kern. En hoe mooi is dat. Voor mij. Want zo wordt de vormgeving van mijn boek zijn eerste klus. En is het boek nu dus iets van ons samen. Niet van te voren gepland. Zoals dat wel vaker gaat in het leven. Maar het maakt ons blij van zin. En dat is fijn.

Thuis zet ik mijn handtekening onder het contract dat het vorige contract nietig verklaard. Niet omdat ik zeker ben van mijn zaak maar omdat ik nou eenmaal niet hou van klakkeloos volgen. Maar met al mijn bravoure, onzekerheid, schaamte, getwijfel, trots en de moed om te falen uiteindelijk altijd weer durf te vertrouwen op mijn eigenwijze hart en verstand.

P.S.:

Het is nog heel ver weg. Want er moet nog vakantie gevierd en werk worden verzet. Maar op zondag 8 november is een ieder van harte welkom (gewoon vast in de agenda zetten) om in Gorinchem te proosten op het boek ‘Imperfect verklaard’ en mijn drijfhoutwerk in het echt te zien. Want hoewel ons geluk er niet van afhangt gaan we wel ons stinkende best doen om het boek en het drijfhoutwerk de wereld in te sturen.

Het moet ergens in november of december van vorig jaar zijn geweest- want dat is de stemperiode voor het Van Dale Woord van het Jaar- dat iemand twitterde dat hij ‘drijfhoutwerk’ had genomineerd voor ‘het woord van het jaar 2014’. Maar helaas het werd ‘dagobertducktaks’. Tsja. Maar misschien is het wel een idee voor 2015. Ik vind het een mooi streven…

Een bureaustoel die joy sparkelt

Er zijn van die plekken in huis die om de zo veel jaar om verandering vragen. Zo moest de kamer van onze viertienjarige Daan een metamorfose ondergaan. Van kinderkamer naar puberkamer. We zagen er van tevoren tegen op. Maar het viel reuze mee. Een nieuw bed, een ander bureau, wat aan de muur en nog wat ander puberkamerspul: Daan vond het al snel goed. Nu denk ik ook dat mannen, nou ja de meeste, zich minder druk maken om het visuele aspect. Hoe het eruit ziet dat maakt niet zo heel veel uit. Het draait vooral om comfort: zit en ligt het lekker. Dat is belangrijk. En apparaten. Die zijn ook belangrijk. Want alles waar geluid en of beeld uitkomt daar hebben ze een duidelijk standpunt over. En die had onze zoon ook. Daar hebben we goed naar geluisterd.
Ik vond het best fijn dat het gelukt was om de kamer bij de rest van ons huis te laten passen. Er was slechts één verschil van mening. De stoel. En dat kwam eigenlijk door zijn vriend. Bij zijn vriend thuis hebben ze achter de computer twee echte bureaustoelen staan. En die zitten zo lekker. Ik kreeg een heel betoog over: armleuningen, achteroverleunen, draaien, lekker zacht en heerlijk zitten. Waar ik resoluut ‘en oerlelijk’ aan toevoegde. Ik besloot verder maar niet te veel aandacht aan die stoel te schenken. Waait wel weer over dacht ik. Want geen haar op mijn hoofd die er aan dacht zo’n gevaarte ons huis binnen te halen. Maar zijn wens bleef. En toen kreeg hij last van zijn rug. Volgens de fysiotherapeut was dat het gevolg van hard groeien en veel sporten. Maar hij greep zijn kans. De stoel. De bureaustoel. Die zou goed zijn voor zijn rug.Foto 19-05-15 07 02 09Ik had gelukkig nog een argument: de prijs. Immers echte bureaustoelen zijn duur en ik kwam met wat leuke alternatieven over de brug. Maar dat was het niet. Zijn vader, die hem begreep, googlde wat op Marktplaats. En ja hoor, drie straten bij ons vandaan stond een zwart leren bureaustoel voor maar dertig euro te koop. Daan wilde zelf wel bellen en zijn vader – ik zag een korte blik van verstandhouding tussen die twee- die ging mee. Nu staat dat meest afschuwelijke meubelstuk in ons huis. En ik ben er blij mee. Ik weet dit klinkt zeer tegenstrijdig maar toch kan ik het met hulp van een fijn stuk –dat ik onlangs op Facebook langs zag komen- verklaren. Het gaat om een artikel uit de Volkskrant: ‘De eerste opruimcelebrity van de wereld is opgestaan’ door Aaf Brandt Corstius. Hierin schrijft zij over een heuse Japanse opruimgoeroe Marie Kondo genaamd. Een mevrouw die inmiddels vier beststellers over opruimen op haar naam heeft staan. En ze schijnt in Japan zo beroemd te zijn dat ze niet meer rustig over straat kan. Haar laatste boek is zelfs in het Engels vertaald. Zij denkt dat de mensen in de toekomst niet meer en meer spullen willen vergaren, maar dat we alleen die spullen willen behouden die we echt willen hebben. Bij elk object dat je aanraakt en bekijkt bij het opruimen, moet je jezelf afvragen: ‘Word ik hier gelukkig van?’ ‘Does it spark joy?’ Voel je bij het oppakken van een oud shirtje een vonk van vreugde, dan mag je het houden. Maar als het shirt geen joy meer sparkelt dan moet het weg. Ik vind het een heerlijke zin: ‘Does it spark joy?’ In het Nederlands kun je natuurlijk vragen: ‘Word je er blij van?’ of ‘Maakt het je gelukkig?’ Maar ja dat sparkelt lang niet zo lekker. Dus heb ik ook nog even in het woordenboek gekeken en tot mijn verbazing staat ‘sparkelen’ er gewoon in: Sparkelen (Eng) (sparkelde, gesparkeld) vonken schieten, vonkelen.
In hetzelfde artikel vertelt Aaf dat ze ook in de rest van haar leven deze zin toepast. Zo kun je jezelf bijvoorbeeld afvragen of een oude kennis waarmee je afspreekt je dat uit gewoonte doet of dat je daar echt zin in hebt. Met andere woorden: roept deze oude kennis wel vreugde in je op. Sparkelt hetgeen je hebt en dat wat je doet nog joy? Schiet het vonken? Ik vind het wijze woorden. Een zinnetje waarvan ik denk dat ik hem door moet geven aan mijn kinderen. Dus nu roep ik regelmatig in het rond : Sparkelt het nog? Does it spark joy? Ik kreeg de zin zelfs in een letterslinger van mijn zus cadeau. Dus nu zijn deze vier sparkelende woorden niet alleen te horen maar ook te zien. Overigens voegde mijn zus er wel aan toe dat niet alles in het leven kan sparkelen. En dat is natuurlijk ook wel weer waar. Maar toch.

Misschien is het nog steeds wat onduidelijkFoto 19-05-15 07 02 03 wat deze vraag met de stoel van doen heeft. Maar dat komt nu. Vanmorgen liep ik even de kamer van mijn puberzoon binnen. Hij zat achter zijn bureau wat met boeken te rommelen. Toen hij mij hoorde, draaide hij een kwartslag want ja dat kan met deze stoel. De stoel die je in geen enkel interieurblad tegen zal komen en één waarvan ik dacht nooit en te nimmer in mijn huis toe te laten in die stoel draaide hij en zei: ‘hè mam’, leunde achterover en rekte zich langzaam uit. En ik. Ik voelde waar het allemaal omdraait in het leven. Mijn zoon in die afgrijselijke bureaustoel: dat sparkelt.

De geest

‘U heeft geen Hbo-niveau meer’ ik heb werkelijk geen idee meer wie dit tegen mij zei. Maar ik weet wel waar en waarom. Het was in een kamertje van het revalidatiecentrum waar de uitslagen van onderzoeken en testen -die in het begin van mijn revalidatieperiode waren afgenomen- werden besproken. En dat ene kleine zinnetje kwam binnen. Hard. Ik heb er niet van kunnen slapen. Het bleef maar rondspoken in mijn hoofd. Dagen en weken. Want natuurlijk wist ik dat de bedrading in mijn brein niet meer optimaal functioneerde. Maar geen Hbo-niveau? Wat betekende dat? Was ik mijn intelligentie kwijt? En waar was die dan naar toe? Hoe kon dat zomaar verdwijnen? En nu? Was ik nu dom? Afgeschreven?

Ik dacht dat ik het kon. Wat maken, wat schrijven. Gewoon voor mezelf. Maar zo werkte het dus niet. Althans niet bij mij. Ik wilde het na verloop van tijd laten zien. Ik plaatste aarzelend wat werk op Fb en twitter. Ik vond de drang tot delen een vreemde gewaarwording maar inmiddels weet ik dat het laten zien juist leidt tot inspiratie, uitdagingen en nieuwe contacten. Als je hetgeen je maakt alleen voor jezelf houdt, sluit je de wereld buiten en blijf je alsmaar in je eigen kringetje rond dralen en dwalen. Daar word je niets wijzer van. Maar ik bleef mezelf maar afvragen wie er nu op mijn geschrijf en drijfhoutwerk zat te wachten. Was het de moeite wel waard om het de wereld in te sturen? En zo ja, hoe doe je dat? Daar had ik geen kaas van gegeten. Mijn marketing verstand was 0,0.

Ik zag haar langs komen op twitter: Johanna Glas/DuizendDoDos. In haar bio stond: ‘navigatiehulp in ondernemersland voor kunstenaars en creatieve makers’. Ik klikte door op haar site (DuizendDoDos.nl) en las dat zij in haar trainingen zoveel mogelijk kennis wil delen en praktische handvaten wil geven over hoe je dat doet, brood op de plank brengen met je kunst. Dat is wel wat voor mij dacht ik. En daar gelijk achteraan dacht ik dat is niets voor mij. Haar ‘training tweets’ bleven echter maar langskomen. En uiteindelijk stuurde ik haar een mail waarin ik schreef dat ik geïnteresseerd was in haar DoDoTrainingen maar dat ik met een aantal vragen zat en of ze contact met mij op wilde nemen. Want als ik inmiddels iets heb geleerd is dat ik in dit soort situaties open en eerlijk wil praten over wie ik ben. Mijn tekortkomingen uit durf te spreken. Omdat die nu eenmaal bij mij horen. Het heeft even geduurd maar die schaamte om daar voor uit te komen ben ik gelukkig voorbij. En ook nu doe ik mezelf daar een groot plezier mee. Want zodra Johanna mij belt en ik uitleg dat nieuwe informatie opnemen voor mij wat lastig gaat en vermoeiend is, hoor ik alleen maar hoe ze wil proberen om ook voor mij deze training mogelijk te maken. Ze denkt mee.

Zo komt het dat Mark en ik samen de DodoTrainingen gaan volgen in het Amsterdamse Bos. Als we op zaterdagochtend in de auto stappen voelt dat als een uitje ( de heerlijke lunch in het vooruit zicht helpt daar beslist aan mee). Het programma is zeer divers van waarom ben ik kunstenaar/creatieve maker tot het bouwen van een site. En natuurlijk gaat er het een en ander langs me heen. Maar dat is niet erg. Het geeft niet dat ik niet alles onthoud en opsla. Daar draait het niet om. Waar het omgaat is dat hetgeen ik wel opneem mij prikkelt en aan het denken zet. Kortom dat ik door nieuwe inzichten en kennis een rijker mens word. En het bevestigt ook nu weer dat mijn verstand -op haar geheel eigen wijze- nog altijd werkt. Steeds vaker vraag ik me af waarom we het wazige begrip intelligentie zo graag bij Jan en Alleman vast willen stellen. Mensen verdelen in hoog -en laag opgeleid. Oké waarschijnlijk zal ik nooit meer een Hbo-diploma kunnen halen. Maar wat zegt dat over wie ik ben? Wat zegt dat over mij? Waarom is het meten van ons verstandelijk vermogen al op zeer jonge leeftijd of een half jaar na een hersenaandoening zo belangrijk geworden?

Inmiddels weet ik gelukkig dat de uitslagen van die intelligentietesten in het revalidatiecentrum niets zeggen over wie ik ben. Ze zeggen niets over mijn geest. Ik heb veel meer met het begrip ‘geest’ dan met de term ‘intelligentie’. Nu weet ik ook dat het woord ‘geest’ zeker in deze tijd net na Pasen en voor Hemelvaart en Pinksteren riekt naar Bijbeltaal. Maar geest wordt als volgt in het woordenboek omschreven: datgene wat in de mens denkt, voelt en wil. De geest hebben. Hoe mooi is dat! Daar gaat het om. En godzijdank laat die zich door geen enkel systeem vangen of meten. Doordat ik wist en voelde dat ik met mijn drijfhout en geschrijf iets wilde was er de drang om de DoDoTraining te volgen. Ik wilde leren en ontdekken. En dat is intelligentie. Volgens mij. Willen leren, onderzoeken en ontdekken. Het vuurtje dat je hart wakkert verder willen ontwikkelen. Hoe mooi zou het zijn als we intelligentie zo zouden zien. Als iets hoe jij jezelf kunt verbeteren om zo op een gezonde manier binnen jouw mogelijkheden iets te kunnen bereiken.

Morgen is de laatste trainingsdag. En deze training met zijn trainers en medecursisten heeft mij beslist een wijzer en rijker mens gemaakt. Iets van alles wat de afgelopen maanden langs kwam steekt er voor mij met kop en schouder boven uit en dat is dat een ieder zijn eigen verhaal heeft. Dat je daar mee naar buiten mag komen. Niet om zielig te doen of om aandacht te trekken. Maar omdat ieders verhaal dus ook jouw verhaal ertoe doet. Het is iets dat bij je hoort. Het maakt wie je bent en wat je doet. Durf jezelf zichtbaar te maken want kansen mislopen omdat je bang bent om iets aan de wereld te laten zien, omdat het niet goed genoeg zou zijn, en je hart niet volgen omdat schaamte en angst je weerhoudt dat is, denk ik, veel erger dan een aantal keer je hoofd stoten en wat fouten maken.

Het einde van de training voelt als een begin. We hebben geen vastomlijnd plan over hoe en wat we gaan doen. Nog niet. Daar gaan we mee aan de slag. Met al onze trots, schaamte, onzekerheid, de durf om te falen en dit zinnetje: het water zoekt zijn weg in de greppels die je graaft.

Mis je het nog, mam?

‘Mis je het nog, mam?’ Mijn 18-jarige Lot heeft mij net verteld hoe haar stagedag in groep 3/5 is verlopen en sluit haar verhaal af met deze vraag. Zij heeft mij -toen ik na hopeloos vechten om mijn baan in het onderwijs terug te krijgen maar het niet kon winnen van mijn lijf- verdrietig, boos en ook weleens jankend op de bank aangetroffen. Mijn werk was niet zomaar werk. Het hoorde bij mij. Het zat in mijn leven verweven. Toen ik uiteindelijk de handdoek in de ring moest gooien, mijn baan op moest geven, deed dat pijn. Het was een tijd van rouwen om wat niet meer was. Wat niet meer kon. De eerste periode thuis was ik volledig uitgeput en kwam er niets uit mijn hoofd en handen. Alleen opruimen. Daar was ik plots een ster in geworden. Nou schijnt opruimen heel therapeutisch te werken en in mijn geval was een overzichtelijk huis met voor alles een eigen plek ook nog eens pure noodzaak. Dus het had zo zijn voordelen. En zo gleden de dagen langs mij heen. Totdat mijn rechtdoorzee dochter thuis kwam om zich heen keek en vol overtuiging zei dat ze het niet meer leuk vond. Ons huis veel te netjes was en ik weer iets moest gaan doen. Hoe dan ook. Ik schrok van haar woorden maar toen ik mijn blik door de huiskamer liet glijden -die er smetteloos uitzag alsof hij ieder moment gefotografeerd moest worden voor een woontijdschrift- drong het tot mij door dat de plaatjes van interieurs die ik altijd volstrekt ongeloofwaardig vond hier in mijn eigen huis, zonder dat ik het door had, realiteit waren geworden.

Voor mij is een van de belangrijkste taken -en misschien wel de allerbelangrijkste taak- van het onderwijs kinderen laten ontdekken waar hun interesses liggen. Ze de mogelijkheid bieden om te ondervinden waar hun hart, hun talent, hun passie -geef het naam- ligt. Dat weten is een groot goed. Omdat je ergens in willen verdiepen zin geeft. Zin in het leven. En met deze overtuiging in mijn achterhoofd wist ik heus dat mijn kind gelijk had. Ik moest weer iets met mezelf en de tijd die ik had, beginnen. Ik kieperde op zolder mijn bakken met drijfhout om en begon met schrijven.

Nu bijna drie jaar later glijden mijn ogen wederom na woorden van DSC02171Lot door onze huiskamer. Ik zie mijn drijfhoutwerk in wording -omdat ik nog steeds twijfel over de kleurencombinatie- op de vloer, een bergje hout op de eetkamertafel, opengeslagen boeken op de bank, verdwaalde bekers en houtsnippers naast een stoelpoot omdat de kat deze als krabpaal gebruikt. En ik constateer dat ik me weer helemaal thuis voel in mijn leven. De ‘mis-je-het-nog’ vraag beantwoord ik met dat ik het zo heel af en toe heus nog wel mis. Maar dat dat niet erg is. Het betekent dat ik mijn werk met veel plezier heb gedaan. En dat is niet voor iedereen weggelegd ( laatst las ik dat ongeveer 60% van de mensen liever iets anders zou doen dan hetgeen hij of zij nu doet). Maar dat ik heus wel weet dat school en ik niet meer samen gaan. Die tijd is geweest. Feit is nu eenmaal dat je niet altijd kunt worden wat je maar wilt ook al doe je nog zo je best. Inmiddels heb ik geheel vrijwillig een andere mooie baan, nou ja een soort van, met fantastische arbeidsvoorwaarden gecreëerd. Deze nieuwe ‘baan’ zet me aan tot werklust, creativiteit, verbeelding en plannen. En dat ervaar ik als een groot geluk.

Soms….

Ik open de koelkastdeur en werp een blik naar binnen. Ik moet er van zuchten. Drie pubers met eeuwige trek maken dat er weer boodschappen moeten komen. Dus besluit ik de week te beginnen met de supermarkt. Het is lekker rustig in de winkel. Ik laad mijn boodschappen in de kar, reken af, loop met kar en al naar buiten en til de tas in de auto. De autosleutels stop ik alvast in het contact. Immers de rij met karren is maar een klein stukje bij de auto vandaan dus de auto hoeft niet afgesloten te worden. Terwijl ik mijn kar netjes in de rij schuif hoor ik achter me: ‘Hè Arien.’ Het is een oud-collega. We babbelen wat over de koetjes en de kalfjes. De druppels die aarzelend uit de lucht beginnen te vallen maken een eind aan ons gesprek. Ik been half weggedoken in mijn jas naar de auto. Stap snel in en gooi de deur achter me dicht.

Ik word gelijk overvallen door een zeer vertrouwde geur. Ik ruik een Camel- zonder- filter- lucht. Mijn vader heeft bijna zijn hele levenlang gerookt en die sigarettenlucht hangt in deze auto. En hoe vertrouwd ook: mijn vader leeft niet meer en ik rook niet. Op de passagiersstoel naast me ligt een krant. Maar ik heb geen krant gekocht. Ook dat weet ik zeker . En terwijl ik recht vooruit kijk dringen er twee dingen tegelijkertijd mijn hersenpan binnen. Een: dit is niet mijn auto. Twee: ik zit in de auto van de man die half rennend met een verschrikt gezicht op mij afkomt en die ik nu recht in het gezicht kijk.

Ik weet niet hoe snel ik de auto uit moet komen. ‘Sorry, ik ben in de verkeerde auto gaan zitten’, hoor ik mezelf stamelen en ik voel het schaamrood naar mijn wangen trekken. De man wuift met zijn pakje sigaretten naar mij en zegt: ‘Ik sta bij de balie af te rekenen en ineens zie ik een wildvreemde vrouw in mijn auto stappen.’ Het is me duidelijk. Ook deze meneer had zijn auto niet afgesloten. En zo kun je dus zomaar in een verkeerde auto belanden.

‘Mijn auto staat naast die van u en is ook blauw’ zeg ik en ik hoop dat dit ene zinnetje alles verklaard. De man kijkt me ietwat verward aan. Ik heb geen idee wat ik verder nog moet zeggen en loop al ‘Sorry, Sorry, Sorry’ roepend naar mijn auto. Gelukkig roept hij nog iets terug waar ik uit opmaak dat hij het niet zo erg vindt. Heel even leef ik in de waan dat onze auto’s gewoon heel veel op elkaar lijken. We hebben heel toevallig allebei dezelfde blauwe auto. Dat is het. Maar ik ontdek al vrij snel dat die vlieger niet opgaat. Want zodra ik achter mijn eigen stuur nog een beetje op adem zit te komen, hoor ik de auto naast me al starten. Ik kijk opzij. De man steekt lachend zijn duim omhoog en zwaait nog even voordat hij wegrijdt. Ik lach en zwaai wat dommig terug en zie dan heus wel dat zijn auto niet alleen veel nieuwer maar ook veel gestroomlijnder is. Naast de kleur hebben onze auto’s weinig gemeen. Onderweg naar huis verzeker ik mezelf dat er heel veel dingen erger zijn dan op maandagmiddag in een wildvreemde auto stappen. Ik weet alleen nog niet zo goed wat…

Soms is reizen met het openbaar vervoer meer iets voor gevorderden…

Ik ken ze bijna mijn leven lang. Mijn twee vriendinnen. We hebben afgesproken in Ede. De plaats waar ik ben geboren en getogen en zij nog steeds wonen. Ik fiets naar het station en ontdek daar dat ik mijn portemonnee ben vergeten. Gelukkig zit mijn ov-kaart nog van een vorige treinreis in mijn jaszak. En er blijkt, het geluk is vandaag met mij, net voldoende saldo -elf euro- op te staan. Straks in Ede, denk ik terwijl ik instap, leen ik wel wat geld. Met een ‘alles onder controle’ gevoel stap ik de sprinter in.

Ik zoek een plekje, leun achter over en zie het oer-Nederlandse landschap langs me glijden. Dan hoor ik door de intercom dat we het station Geldermalsen naderen. En dat ik daar vooral niet moet vergeten uit te checken bij Arriva en in te checken bij de NS. Ik besef onmiddellijk dat ik de controle kwijt ben. Want op zich staat er wel genoeg saldo op mijn ov-kaart om in Ede te komen. Maar toch ook weer niet. Even een korte uitleg voor de niet reizigers onder ons (reizen met het openbaarvervoer is soms meer iets voor gevorderden…). Met je ov-kaart kun je alleen inchecken als er voldoende instapsaldo -minimaal tien euro- opstaat. Dat was in Gorinchem geen punt. Maar nu, drie haltes later, is mijn saldo onder de tien euro gedaald. Als ik straks opnieuw moet inchecken is er een probleem.

De sprinter naar Utrecht staat al klaar. Ik heb slechts drie minuten bedenktijd. Omdat ik geen flauw idee heb wat ik in Geldermalsen zonder geld en met onvoldoende saldo op mijn ov-kaart moet doen, besluit ik uit te checken, niet in te checken maar wel in te stappen en het straks aan de conducteur uit te leggen. Voordat ik op zoek ga naar de conducteur ga ik even zitten om snel een berichtje naar Mark te sturen met de vraag of hij mijn saldo op mijn ov-kaart wil opwaarderen. Zodra ik dat gedaan heb, blijf ik nog even zitten om mijn verhaal in mijn hoofd te repeteren. Zodat het straks een logisch en kloppend geheel is: op de fiets naar het station, portemonnee vergeten, gelukkig genoeg saldo om in te checken maar dan moet ik in Geldermalsen opnieuw in -en uit checken en… Zucht. Diepe zucht. Mijn net zo logisch verhaal klinkt me nu ietwat dwaas in de oren. De moed zakt mij in de schoenen. Vanuit mijn ooghoek zie ik de Metro liggen en ik begin wat te bladeren (enig uitstel gedrag is mij niet vreemd). Ook het lezen van mijn horoscoop helpt niet echt. Nu durf ik helemaal niet meer. Even later hoeft het ook niet meer. Door de intercom krijgen we de mededeling dat er problemen zijn met een wissel. En dat voor onze veiligheid de sprinter in Houten stopt. Daar duurt het minimaal een half uur voordat ik verder kan naar Utrecht. En ik bedenk opgelucht dat ik de conducteur nu niet met mijn verhaal lastig kan vallen: die man heeft immers genoeg aan zijn hoofd. Ik bel een van mijn twee vriendinnen en zodra zij hoort dat ik gestrand ben in Houten zegt ze: “Arien, we komen eraan”. Daarna belt Mark -die nu eenmaal veel beter is in wereldse zaken dan ik- dat mijn saldo is opgewaardeerd en dat ik mijn tegoed bij een oplaadpunt moet ophalen (nee, rechtstreeks op mijn ov-kaart zetten is onmogelijk) . Terwijl mijn hele coupe nog aan het bellen en regelen is, trekt er een golfje van genoegen door mijn lijf. Want hoe fijn is het dat er altijd mensen zijn die mij organiseren. Zonder hen was ik reddeloos verloren.

P.s : Inmiddels is na een gouden tip mijn leven weer een stuk aangenamer geworden. Ik heb de NS toestemming gegeven om mijn ov-kaart zodra het saldo onder de 20 euro daalt automatisch op te waarderen.

Mark Rothko. En ik.

Op Facebook zag ik langskomen dat er tot 1 maart 2015 in het Gemeentemuseum Den Haag een tentoonstelling van Mark Rothko te bewonderen is. Ik klikte door en las dit op de site:

Laat je overweldigen door de intense werken van de wereldberoemde kunstenaar Mark Rothko. Zinderende verflagen van blozend roze en jubelend geel, tot knallend blauw en somber zwart. Wanneer je voor de immense doeken van Mark Rothko staat, voel je hoe je zijn wereld ingezogen wordt.

Ik vond de foto’s van zijn werk mooi. Erg mooi. Dus besloten Mark en ik om ze in Rothkohet echt te gaan bekijken. Nu gaan wij wel vaker naar een museum. Maar ik moet eerlijk bekennen dat ik me daar niet altijd even goed raad weet met mezelf. Moet ik fluisteren of normaal praten? Klinkt mijn lach niet net iets te hard door de zalen? (Ik schrik er iedere keer weer van hoe een lach in een museum kan nagalmen en wat voor een afkeurende blikken dat oplevert.) Wandel ik te snel of juist te langzaam door de zalen? Dat zijn zomaar wat vragen die mij in museumland bezighouden.

En dan moet ik ook nog bekennen dan het me niet altijd wat doet. Ik het gebouw soms mooier vind dan de kunstwerken. Er slaperig van word. Of te vroeg in het museumcafé beland met koffie en appeltaart. En dan ongegeneerd naar mensen ga zitten kijken. Om daar dan verhalen bij te verzinnen over wie ze zijn en wat ze doen.

Ooit vond ik het lastig als ik er niet zo veel aan vond. Want ik moest toch geraakt door de werken van mensen met wereldfaam. Maar door de jaren heen is dat gevoel verdwenen. Als je geluk hebt vind je er iets en anders kun je er altijd nog heerlijk fantaseren onder het genot van koffie met gebak. En dat is altijd fijn. Want het gaat er niet om wie of wanneer of waarvan een kunstwerk is gemaakt. Maar wat het met jou doet, dat is wat een kunstwerk belangrijk maakt. Denk ik. Maar deze keer is het raak. Ik vind het prachtig. Ik wil het van dichtbij bekijken, die zinderende verflagen. Ik wil zien hoe hij het roze zo liet blozen en het geel liet jubelen. Dus stap ik wat naar voren. Maar in de ogen van een suppoost is dat veel te dichtbij. Dus klinkt er streng: “Mevrouw, houdt u wel voldoende afstand.” Ik doe van schrik gelijk een stap naar achteren. En bedenk even later hoe goed afstand en grote kunstenaars toch altijd weer samen gaan.

rothko in hout overzichtOok ik heb er lange tijd last van gehad. De afstand tussen mij en een kunstenaar was groot. Erg groot. Bij het zien van werk van anderen werd ik vroeger vertwijfeld en onzeker. Dat was pas kunst. Zoiets kon ik niet maken. Nooit. Ik hing wat ik maakte op in mijn eigen huis maar daar hield het dan ook gelijk mee op.

Maar mijn meest geweldige ontdekking van dit jaar is dat er genoeg ruimte is voor iedereen die creatief wil zijn. De wereld juist mooier wordt als mensen hun creativiteit delen. Dat daar nooit genoeg van is. En ook al vind ik het nog steeds spannend en eng: wat ik maak, laat ik zien. En man o man, wat heb ik daar dit jaar een plezier aan beleefd. Er zijn hierdoor zo veel mooie, leuke en bijzondere dingen op mijn pad gekomen. Dus nee, een (groot) kunstenaar remt mij nu niet meer af. Maar inspireert. En ik hoop zo dat het niet hoogdravend klinkt. Maar Rothko zorgt met zijn vlakken en kleuren dat ik thuis met nieuwe ideeën mijn schuurtje inga. Misschien dat je in mijn ‘werk in wording’ kunt zien wat ik bedoel.

Er was weinig zin. Weinig vrolijkheid.

Ik moest op de fiets door de miezerregen en had mezelf daarvoor in een regenpak gehesen. Er was weinig zin. Weinig vrolijkheid. Zo trapte ik onder een laaghangende grijze wolkenpartij over de dijk met als vanzelfsprekend wind tegen. Op zijn vaste plek vertraagde ik mijn tempo. Ik had hem al een tijdje niet gezien dus verwachtte ik hem niet thuis. Maar hij zat er. Mijn Boeddha met veren. En in ene brak in mijn hoofd de zon door vergezeld met een spatheldere lucht. Zo gaat dat soms. Zomaar per geluk. En dat verbaast me nog steeds. Dat geluk zo eenvoudig kan zijn. Dat het zo vaak de alledaagse dingen zijn waar ik intens gelukkig van word. En ergens zit er in mij een drang om juist die wereld vol mooi en pracht, ook al is het nog zo vanzelfsprekend of juist omdat het zo vanzelfsprekend is, vast te leggen. Te vangen in woorden of beelden. Klik op het woord Boeddha voor meer foto’s.


Het vangen in woorden probeer ik.
De beelden zoekt Mark.
En ik strooi het wat rond.
Dit.
Dus.


Een boek. Een uitgever. En met de pr zit het wel goed…

Na een nacht heen en weer geslingerd te zijn tussen iets van borrelend geluk en fladderende paniek word ik op zaterdagochtend al vroeg wakker. Ik besluit mijn bed uit te gaan, trek mijn oude spijkerbroek en shirt aan en sluip heel voorzichtig, ons huis verkeert nog in diepe rust, de trap af. Ik knik de huiskamer die nog in ‘vrijdagavond-stand’ staat vriendelijk gedag en loop door naar de schuur. Daar schuif ik mijn voeten in Hup-Holland-Hup slippers (echt van ieder WK houdt een mens iets over) en pak de duikbril van de werkbank. Op de een of andere manier is mijn veiligheidsbril weken terug verdwenen en ik heb toen uit pure nood als alternatief de duikbril van manlief opgezet. En zo kwam ik tot de verassende ontdekking dat door het dragen van deze bril er niet alleen geen stof in mijn ogen maar er ook geen enkel stofje in mijn neus belandde. En dat is fijn. Ik zet de duikbril, die nu dus veiligheidsbril is, op en hoop dat het boren en zagen mijn nerveuze energie zal temmen. Ik ben graag in mijn schuurtje. Zodra ik met mijn drijfhout in de weer ben vergeet ik meestal alles. Beland ik in de zogenoemde flow. Maar als ik voor de tweede keer met de decoupeerzaag een stuk hout verpruts, weet ik dat het vandaag niet gaat lukken. Ik denk aan iets waar ik de laatste twee weken eigenlijk continue aan denk: “Had ik wel of had ik toch maar niet..”

Een paar jaar terug was mijn leven lekker overzichtelijk. Iets van huisje, boompje, schooltje. Ik had met mijn gezin, de mensen om mij heen en met het lesgeven op een basisschool het leven dat ik wilde. Het klopte. Toen ik dan ook werd overvallen door een virale encefalitis (hersenontsteking) wilde ik slechts één ding: mijn leven dat mij zo lief was weer terug. Dat was alles. En lange tijd heb ik gedacht dat als ik maar door ging, mijn best deed, volhield, dit ook zou lukken. Maar zo gaat dat natuurlijk niet. Toen dat kwartje uiteindelijk in mijn gehavende brein was gevallen wist ik nog steeds niet wat ik met mezelf aan moest. Ik wist het niet. Echt niet. Maar één ding wist ik wel: ik wilde mijn leven leven en wel zo mooi mogelijk. Om alles een beetje op een rijtje te krijgen besloot ik te gaan doen wat ik altijd al graag deed: schrijven. Dus schreef ik over het afscheid nemen van wat niet meer kon, over hoe het nu verder moest en combineerde dat met mijn liefde voor kunst en wonen (ik geloof dat het hebben van een fijn thuis goed is voor je welzijn). Na ruim een jaar was het een mooi document. Ik liet er drie inbinden. Voor mijn kinderen. Voor later.

En ik ging door met schrijven. Maar nu over het boeiende leven van alledag. Na wat wikken en wegen en de nodige duwtjes in mijn rug stuurde ik mijn geschrijf via twitter, facebook en een blog de digitale wereld in. Dan leest een uitgever via twitter mijn blogverhalen en vraagt of ik nog meer heb. Dat heb ik. Een boek. Op de plank. Ik stuur het toe en verwacht er niet zoveel van. Maar dan krijg ik het bericht dat hij er een heus boek inziet. Het uit wil geven. En plotsklaps ben ik in de war. Moet ik mijn verhaal wel de wereld insturen? Wie zit er nou op mijn geschrijf te wachten? Zo erg is het nou ook weer niet wat mij is overkomen. En wie gaat er nou een boek van mij kopen? Maar natuurlijk is het ook gaaf: een boek van mij! Dus. Ik onderteken een auteursovereenkomst en een deskundige eindredacteur gaat met mijn boek aan het werk. En nu is het bijna zover. Mijn manuscript is geredigeerd en ligt bij de vormgever. Kortom: het gaat er echt van komen. En dat is spannend, eng en leuk tegelijk.

Waarschijnlijk zit ik al even in de schuur want mijn zoon Stijn komt binnengewandeld. Ik ben inmiddels gestopt met de decoupeerzaag en op schuren overgegaan. Wel zo veilig. Of ik kom ontbijten is de vraag. Ik klop wat stof af, was mijn handen en zit even later verfomfaaid  aan tafel. “Nou, jij was al vroeg bezig”, is de opmerking van Mark. Tsja, ik kon niet meer in slaap komen”, antwoord ik mijn man. “Ik weet nog steeds niet of…” “O, nee hè mam!”, roept mijn dochter die weet waar dit gesprek naar toe gaat en terecht een beetje moe wordt van mijn geharrewar. “Maar Lot ik heb geen idee wat er nu gaat gebeuren. Straks moet ik mijn boek promoten en dat lijkt me nou niet echt wat voor mij”, breng ik ter verdediging aan. “Mam, maak je maar geen zorgen”, antwoordt mijn Lot koninklijk. O hemel, ik ken die blik en wacht dan ook met spanning op wat er gaat komen. “Ik ben al bezig met de pr en heb een mailtje naar Koffietijd gestuurd.” “Koffietijd?”, vraag ik verbijsterd, “Maar Lot het boek moet nog uitkomen. Bovendien moet dat in overleg met de uitgever. Jij kan niet zomaar…” Verder kom ik niet. Ik zit met mijn mond vol tanden. Dus zoek ik oogcontact met Mark. Voor begrip. Maar ik zie dat hij met moeite zijn gezicht in de plooi kan houden en de lach in zijn ogen niet kan onderdrukken. Lot, die nergens gras over laat groeien, negeert mijn opmerking en zegt na het slaken van een ongeduldige zucht: “Ik heb alleen nog niets gehoord. Dus misschien moet ik van de week maar even bellen.” Stijn, voor wie het begrip ‘Koffietijd’ volstrekt onduidelijk is zegt: “ Ik zet het wel op twitter.” Volgens mij zijn zijn volgers absoluut niet mijn doelgroep maar lief is het wel. Dan gaat ook de jongste, Daan, zich er mee bemoeien: “Jij moet het nu ook eens op facebook en twitter gaan zetten, mam!” Ik sputter nog wat maar stop daarmee als ik tegen vier knikkende hoofden aankijk. Ze hebben gelijk dat ga ik maar eens doen. En ach, uiteindelijk is het onvoorspelbaar hoe het zal gaan. Dat weet niemand. Maar alleen het feit dat er in mijn leven nu dingen gebeuren die ik nooit had verzonnen doet mij goed. Heel goed. En dan word ik op deze zaterdagochtend overspoeld door een warm gevoel. Een warme gloed in mijn lijf want hier zitten de mensen die onvoorwaardelijk in mij geloven. Die oprecht blij en trots op mij zijn. Dus volg ik het advies van mijn reclamebureau hier aan tafel op. Ik wacht nog wel een weekje met plaatsen. Maar toch. Er komt een boek.

Heel het jaar door pepernoten. Sint werd wit geschminkt en voor Piet was er geen schoorsteen…

Ze is met haar klasgenoten (5VWO) van het Radulphus College uit Curaçao op oriëntatiebezoek voor vervolgstudies in Nederland. Vandaag heeft ze een dagje vrij en zit ze zomaar weer eens bij ons aan tafel. Drie jaar lang zagen zij en mijn dochter elkaar bijna dagelijks, nu nog maar sporadisch. Maar het maakt niet uit. Ze pakken de draad weer op. Als vanzelf. Ook de rest van ons gezin is blij haar weer te zien. De fotoalbums komen op tafel en we belanden van het ene verhaal in het andere. Het Pirecollege (basisschool), juf Nirsa en klasgenootjes die met naam en toenaam worden besproken. Hoe heerlijk het was om even in de airco van het Suikertuintje (een overdekt winkelcentrum niet tegen de regen en de kou maar om even aan de warmte te ontsnappen) rond te lopen en een ijsje te eten. De pepernoten die wij het hele jaar door in supermarkt Mangusa (ook een manier om de discussie of de pepernoten nu wel of niet te vroeg in de schappen liggen te voorkomen) kochten. En terwijl ik bedenk dat pepernoten het aller-lekkerst smaken onder een palmboom op het strand vraagt Marjolein: “Jullie hebben nu toch ook Regenboogpieten?” “ Tsja… wij… “ Maar ik maak mijn zin niet af. Want hoe leg ik haar uit dat in Nederland de spanningen rondom Zwarte Piet oplopen. Maar daar hoef ik me verder niet druk over te maken. De twee vriendinnen hebben ineens iets anders aan hun hoofd. Er moet een bus gehaald worden. Ze gaan winkelen in Utrecht.

In de periode dat wij op Curaçao hebben gewoond, geloofden onze drie kinderen nog heilig in het Sintverhaal. Bij de intocht en op alle andere plekken waar de Pieten op het eiland in het openbaar verschenen, waren de bruine gezichten geschminkt. En sommige Pieten droegen ook nog zwarte maillots. Want het moest pretu, pretu. Zwarter dan zwart. En ooit heb ik ergens een keer opgevangen dat de officiële Sint van Bonaire zich al 20 jaar wit schminkte. Heel bijzonder. Nu liep ik in Nederland al tegen het probleem van de schoorsteen en het roet aan. Immers sommige Nederlandse woningen (nou ja, eigenlijk best veel) hebben geen schoorsteen waar je door heen kunt kruipen. Dus paste ik om mijn kinderen en mijn leerlingen gerust te stellen het verhaal een beetje aan. Pieten kwamen niet alleen door de schoorsteen, ze klommen ook door bovenraampjes of stapten met de wondersleutel die alle deuren openden naar binnen. En dat zwarte gezicht dat kwam door het roet want zo heel af en toe viel Piet nog weleens door de schoorsteen een huis binnen. Maar na twee jaar onafgebroken in de tropen hadden mijn kinderen (onze jongste was een toen wij uit Nederland vertrokken) net als mijn onderbouwleerlingen geen flauw idee van de winter en de kou. Als iedere dag de zon schijnt, je altijd in korte mouwen rond kunt wandelen dan zijn de begrippen: verwarming, kachel, schoorsteen en roet een ver van je bed show. Niet te bevatten.

De opmerking van Marjolein in combinatie met een gesprek over Zwarte Piet enige tijd later tijdens een verjaardagsfeest zorgen er voor dat ik ‘Curaçao en Regenboogpiet’ intik op Google. En zo lees ik op internet dat ze op Curaçao de angel uit de Zwarte Piet discussie hebben gehaald door in 2012 de Regenboogpieten in te voeren. De stoomboot was onder de regenboog door gevaren en de kleuren van de regenboog waren achter gebleven op de gezichten van de Pieten. Ook in 2013 waren er bij de intocht naast de Zwarte Pieten, Pieten in alle kleuren van de regenboog aanwezig. Ook ik ben zo zoetjes aan wel gaan geloven dat kinderen door het verhaal, de tekeningen, de teksten van liedjes onbewust wat mee kunnen krijgen over de rolverdeling tussen blank en zwart. En al ben je het hier niet mee eens, want dat kan natuurlijk, wat is er dan zo erg om een traditie een heel klein beetje, met heel weinig moeite te veranderen? Net zoals Piet niet meer alleen door de schoorsteen maar ook door bovenlichtjes en deuren komt, kunnen er naast zwarte ook groene, gele of paarse Pieten bestaan. We hebben er weer een mooi verhaal bij(altijd fijn) en het kan bovendien ook nog een pracht aan prentenboeken opleveren. En kinderen die zich willen verkleden en schminken als Piet hoeven niet meer te denken in zwart-wit maar mogen kiezen uit alle kleuren. Ik weet zeker dat Lot haar gezicht vol roze had gesmeerd. Ze had het prachtig gevonden. Heel misschien gaat het daar om dat kinderen gewoon een mooi feest hebben. En dan mag je zo af en toe een traditie best een klein beetje veranderen. Heus.

p.s.: Veranderen van tradities ligt dus ingewikkeld. Maar ik heb vrijdagavond wel ontdekt dat het lijkt alsof we er een traditie bij hebben. Zomaar vanzelf. Zonder enige ophef. Dat kan wel. Mijn familie (ik lag onderuit op de bank) heeft wel een keer of vier de deur geopend. Iets met Halloween…

De week van de opvoeding. En ik heb een advies.

De week van de opvoeding. Er wordt aan mij gevraagd of ik, voor in een krantje, een goed advies voor ouders heb. Want met mijn ruim 20 jaar onderwijservaring en moeder van drie ga ik door als deskundige. Een expert. Iemand die wel weet hoe het moet. Sommige mensen kennen mij kwaliteiten en eigenschappen toe die weinig met de realiteit te maken hebben. Dus even dit waar gebeurde verhaaltje van ooit.

Het is in de tijd dat twee van mijn drie kinderen naar dezelfde basisschool gingen als waar ik werkte. Ik ging meestal iets voor achten de deur uit en de kinderen volgden een klein half uurtje later. Ook op deze ochtend trek ik rond deze tijd de deur achter me dicht. Echter halverwege het tuinpad bedenk ik me dat ik Stijn nog niet heb laten weten wat hij vandaag mee mag nemen. De school houdt een inzamelactie voor de voedselbank en in de hal van de school staat een grote tafel waar iedereen de meegebrachte producten mag uitstallen. Ik had bedacht dat ze niet in een keer een tasje vol, maar een week lang iedere ochtend iets mee mochten nemen. Maar wat vandaag dat ‘iets’ moest zijn daar had ik Stijn nog niet van op de hoogte gebracht. Ik draai me om, loop terug en open de voordeur. Ik zet slechts een voet over de drempel en roep: “Stiiijjjn” . Ergens van boven klinkt een “Jaaa” terug. Daarop roep ik iets in de trant van: “Neem jij voor de voedselbank de pindakaas mee? Staat in de kast.” Ik wacht het antwoord niet af en trek de voordeur weer achter me dicht en been kordaat en tevreden (immers alles onder controle) naar mijn werk.

Na de pauze van tien uur lopen mijn collega en ik met achter ons een sliert kinderen vanaf het schoolplein weer naar ons lokaal. “Arien, kijk hoe erg. Dit!” Terwijl ze dit zegt, pakt mijn collega van de voedselbanktafel die we passeren een pot. “Aangebroken, de helft is eruit. Sommige mensen….” zucht ze verontwaardigd. Ik voel het schaamrood naar mijn wangen trekken want ik weet dat wij die ‘sommige mensen’ zijn. “Nee hè?!”, roept mijn collega die van mijn gezicht afleest hoe het zit. Ze duwt mij hard lachend de pot in mijn handen en we verdwijnen in onze lokalen. Terwijl mijn klas wat eet en drinkt ga ik verhaal halen bij mijn zoon. Stijn is zich echter van geen kwaad bewust. Hij had opgevangen: voedselbank, pindakaas, kast. En dat ik met de kast de voorraadkast bedoelde was hem volstrekt onduidelijk.

Nog steeds vraag ik me regelmatig af hoe ik een groep van 30 kinderen draaiende kon houden maar dat ik mijn gezin met slechts drie kinderen niet altijd het hoofd weet te bieden. Dus. Nee, ik weet het echt niet beter dan alle andere moeders. Ik doe vaak ook maar wat. En toch. Ik heb wel een tip. Maak je niet zo druk als het misgaat. Het is vaak niet zo erg. Probeer de humor er van in te zien. Want als alles perfect zou gaan werd het leven uitermate saai. Juist de flaters en blunders zorgen voor verhalen. En die hebben kinderen nodig. Voor later. Verhalen waar ze om moeten lachen en zeggen: “Weet je nog, toen… “

Is dit kunst? Of mag het voor een habbekrats weg?

De telefoon gaat. Ik neem op met mijn naam en aan de andere kant van de lijn hoor ik een stem die haar naam noemt met gelijk er achteraan de vraag of ik nog weet wie ze is. Dat weet ik wel. Zij is de vrouw die onlangs in de galerie waar ik exposeerde een drijfhoutwerk heeft gekocht. Ik antwoord dan ook met: “Ja hoor, dat weet ik nog.” “O fijn”, is haar reactie, “ik bel u met een wat rare vraag.” O gut, schiet er door mijn hoofd misschien is ze al uitgekeken op mijn werk. Wil ze het teruggeven? Ik zet me schrap aan de telefoon om straks geen teleurstelling in mijn stem door te laten klinken. En antwoord luchtig dat ze alle vragen mag stellen. “Ik heb uw werk aan de voor -en achterkant bekeken”, zegt ze, “maar u heeft dit werk niet gesigneerd. Weet u …” “Gesigneerd?” onderbreek ik haar dommig. “Ja, u heeft uw naam niet op uw werk staan.” Mijn naam, denk ik, die heb ik nergens op staan. Stom misschien maar gewoon nooit aan gedacht.

Ik struin al jaren langs kusten en met het drijfhout dat ik daar vind ga ik in mijn schuurtje aan de slag. Maar tot mijn eigen verbazing was het maken en een plekje geven in mijn eigen huis niet meer voldoende. Ik wilde mijn werk laten zien. Ergens had ik behoefte aan de reactie van een ander. Dus besloot ik wat foto’s via de mail naar het bestuur van de Culturele Route van Gorinchem te sturen. Ze waren enthousiast. Ze wisten ook wel een mooie locatie waar ik zou kunnen exposeren. Maar. Ik was totaal onbekend in kunstenaarsland. Ik had zogezegd geen naam en ook geen kunstzinnige achtergrond. Om te kunnen exposeren waren de foto’s niet voldoende. Ze wilden mijn werk in het echt zien. Dus laadde ik mijn auto vol met wat creaties en werd ik als vanzelf zenuwachtig. Want stel dat ze het niets vonden. Ze hoofdschuddend mijn werk zouden afwijzen. Maar het verliep anders. Het was eigenlijk schrikbarend eenvoudig. De kenners wierpen een blik in mijn auto. Het mocht. Gelijk. Tijdens deze eerste expositie hingen er geen prijskaartjes aan mijn werk. Mijn insteek was niet verkopen maar kijken hoe er op mijn drijfhout werd gereageerd. Bovendien had ik eerlijk gezegd ook geen flauw idee wat ik voor mijn werk zou moeten vragen.

Ik kreeg fijne reacties. Mijn liefde voor het hout uit de zee werd gedeeld. En dat deed mij goed. Daarna mocht ik exposeren in een heuse galerie. Maar daar moest worden verkocht. En omdat ik nog steeds geen flauw idee had hing de galeriehoudster, een vrouw met verstand van zaken, er prijzen bij. Verder moesten er op een flyer achter de namen van de diverse kunstenaars die meededen aan deze tentoonstelling de genoten opleidingen worden vermeld. Nou heb ik wel een opleiding (PABO) maar daar koop je bij een galerie helemaal niks voor. Maar ook dit werd verbluffend makkelijk opgelost. Achter mijn naam kwam niet iets in de trant van ‘Rietveld Academie’ te staan maar het woord ‘Autodidact’. Voor alles is een oplossing. En toch. Tijdens de opening tussen kunstenaars (met iets anders dan autodidact achter hun naam) en bezoekers voelde ik ook een zweepje schaamte. Ik wist niet zo goed of ik en mijn werk hier wel thuishoorden. Ik dacht terwijl ik om me heen keek: dit zijn echte kunstenaars en kunstkenners. En ik? Nou ja, ik rommel maar wat aan. Ik jut, zaag, timmer, boor en schuif eindeloos met mijn houtjes heen en weer net zolang totdat ik het goed vind. Maar verder zit er achter mijn werk geen diepliggende gedachte of ingewikkelde theorie. En zelfs de voor deze dag speciaal groen gelakte nagels konden het gevoel van onzekerheid dat mij overviel niet wegnemen.

Ik leg de mevrouw aan de telefoon uit dat ik het werk niet vergeten ben te signeren maar dat ik dat eenvoudig weg nooit doe. “Maar dat moet je wel doen, hoor”, is haar stellige reactie, “wees trots op wat je maakt.” Ze voegt er nog aan toe dat het werk inmiddels hangt en dat ze ervan geniet.

Nadat ik haar heb beloofd voortaan mijn werk te signeren leg ik met een enorme grijns de telefoon neer. Zomaar ineens is me wat duidelijk geworden. Ik weet heus dat ik geen grote kunstwerken maak. Dat er geen meesterwerken uit mijn handen komen. Maar misschien hebben we naast het ‘grote werk’ ook gewoon iets moois voor boven de bank nodig. Want uiteindelijk is, denk ik, kunst bovenal iets waar je van moet genieten. Misschien moet het accent niet liggen op wanneer of door wie het werk is gemaakt maar wat het werk met jou doet. In de toekomst hoop ik nog eens te mogen exposeren en dan hang ik aan het drijfhout zelf een prijskaartje. Want hoe mooi is het dat als iemand door iets dat ik heb gemaakt wordt geraakt, het koopt voor een prijs die het verdient en een plek in huis geeft.

Een kind kan de was doen..

Een tijdje terug was ik iets te vroeg voor mijn halfjaarlijkse controle afspraak bij de tandarts. Gedachteloos zat ik aan de tafel in de wachtkamer wat te bladeren in een tijdschrift. Tot mijn oog op een artikel viel met de titel ‘Een kind kan de was doen’. Mijn interesse was gewekt en mijn bladeren sloeg om in lezen. Ik had nog wat alinea’s te gaan toen de assistente mijn naam riep, maar de strekking van het verhaal was mij wel duidelijk: de pubers van tegenwoordig vervullen (te) weinig huishoudelijke taken.

Terwijl ik achteroverleunend met mijn mond open in de tandarts stoel lag, dacht ik na over de rol van mijn pubers in het huishouden. Ik kwam al snel tot de conclusie dat die van mij ook best iets meer konden doen. En terwijl de tandarts wat tandplak verwijderde besloot ik vrolijk dat ze er een nieuwe taak bij kregen. Was opruimen.

Thuis trof ik ze alle drie in hun kamers achter een computer aan. Ik stelde ze gelijk op de hoogte van hun nieuwe taak. Ze knikten en mompelden wat en tot mijn verbazing kreeg ik geen enkele vorm van tegengas. Het was kennelijk geen probleem. Ik liep dan ook gelijk door naar de zolder. Daar hangt over de balustrade altijd wel een wasje aan een rek te drogen. Ik haalde de knijpers los zodat het wasgoed door het trapgat naar beneden dwarrelde en ergens onderaan de trap en in de hal van de tweede verdieping belandde. Daarna riep ik opgewekt terwijl ik langs hun kamers liep: ‘Jongens, de was kan worden opgeruimd!’

Net voordat het eten klaar was, riep ik ze om de tafel te dekken. Terwijl ze met borden en bestek heen en weer liepen, vroeg ik of het gelukt was met de was . Er werden verbaasd wenkbrauwen en schouders opgehaald. ‘De was?’, klonk er verontwaardigd, ‘moest dat nu al ?’ Om beneden te komen waren ze hoogstwaarschijnlijk bijna over de ronddwalende kledingstukken gestruikeld. Maar goed. Er ontstond wat discussie over wie nu tafel ging dekken en de was op ging ruimen. Ik besloot dat het verstandiger was om me maar weer op de potten en pannen te richten en af te wachten. Even later was de tafel gedekt en het wasje opgeruimd. Ik vond het verrassend snel. Dit kan ik er best inhouden besloot ik positief.

En nu wordt onze was dus af en toe door de kinderen in de kasten gelegd. Maar inmiddels ben ik er wel achter dat het nog niet geheel vlekkeloos verloopt. Zo kwam ik een keer in een spijkerbroek van Tim (vriendje van Lot) naar beneden, Daan in een korte broek van mij en Stijn in een shirt van Mark. Kortom, je moet tegenwoordig een beetje opletten als je iets uit de kast van de stapel pakt. En dat is nog even wennen. Net kreeg ik een appje van Mark. Hij staat in een kleedkamer van een sportschool en heeft zich in een sportbroek van Daan (14 jaar, maat S) gewurmd. Ademhalen lukt niet meer. O ja, denk ik, Perry Sport had onlangs een aanbieding: 3 halen 2 betalen. Mooi en handig vond ik toen. En kocht precies dezelfde broek in drie verschillende maten ( s, m en l). Nu blijkt dat dus helemaal niet handig te zijn want er is natuurlijk geen kind die eerst op een etiket naar de maat gaat zoeken om zo te bepalen in welke kast het broekje hoort. Maar ach, dit probleem wordt, net zoals zoveel problemen in het leven, door de tijd vanzelf opgelost. Heus. Ooit passen al mijn mannen in een L.

Er is slechts één reactie mogelijk. Ik app mijn man dan ook terug met de woorden: ‘Ik wil een selfie!’

Mijn oma. Cyclamen. En een Neushoornkever.

Soms kan zomaar een blik, een geluid, een geur of wat dan ook je onverwacht terug brengen naar toen. Drijven er als vanzelf herinneringen boven. Dat kan overal en nergens gebeuren. Dus ook tussen de bloemen en planten van de Albert Heyn.

Net voordat ik met mijn volle boodschappentas de supermarkt uit wil lopen, zie ik ze staan. Bonte cyclamen. Ze roepen beelden op: de zondagmiddagen, haar priemende donkere ogen, een huiskamer propje vol met ooms, tantes, neefjes en nichtjes, de stukken kaas, het gepraat, het gelach, haar schort en de stoel waarin ze zat. Cyclamen zijn voor mij onlosmakelijk verbonden met mijn oma die iedere zondagmiddag weer haar verjaardag vierde en haar vensterbank tussen golven van vitrage met prachtige immer bloeiende cyclamen had gevuld. Ik zet mijn tas neer en pak een cyclaam uit het schap. Ik duw mijn neus in één van de bloemen en ruik de vertrouwde geur. Tegelijkertijd gaat mijn fantasie met mij op de loop. Ineens lijkt het mij heerlijk om van die bloeiende cyclamen in mijn vensterbank te hebben staan. Ik vergeet voor het gemak dat ik al een eeuwigheid geen kamerplanten meer in huis heb. Er staat wel een verdwaalde cactus maar die krijgt al jaren geen water meer. Dus die telt dan ook eigenlijk niet mee. Ik heb niets met kamerplanten, weet ook geen namen. Nou ja, deze dus wel. En de sanseveria die ken ik ook. Na het herlezen van: ‘Houd de sanseferia hoog’ van George Orwell en wetende dat deze tot één van de makkelijkste kamerplanten ooit behoorde had ik er één in huis gehaald. Maar ook deze plant ging uiteindelijk ter ziele. Sindsdien horen voor mij planten buiten en komen alleen losse of bossen bloemen binnen. En ach misschien komt het door het vleugje heimwee onder mijn ribben in combinatie met wat weemoed maar ineens raak ik er van overtuigd dat ik het kan. Dat de groene vinger- genen ook ergens in mij schuilen. Ik pak een roze, paarse en rode cyclaam en loop ermee naar de kassa die tevens klantenservice en sigarettenverkoop is. Er zijn geen klanten voor mij en ik zet mijn planten dan ook gelijk op de toonbank neer met de vraag: “Weet jij hoe ik deze moet verzorgen?’ “Regelmatig water geven”, krijg ik als antwoord van het meisje achter de kassa. Ik kijk even of ik ergens een zweem van spot op haar gezicht kan ontdekken maar dat is niet het geval. Dus knik ik en denk: ‘Zij heeft er net zoveel verstand van als ik’ maar zeg slechts: “Dat moet wel lukken.”Thuis zet ik ze voor het keukenraam. Een mooie plek want nu kan ik ze onder het eten koken water geven. Dat is het plan. na slechts drie dagen vraag ik al aan ze: “Waarom gaan jullie nu toch hangen?” Ik voel aan de aarde en kom tot de conclusie dat ze misschien iets teveel water hebben gehad en besluit ze een paar dagen geen water te geven. Ondertussen blijf ik, tegen beter weten in, opbeurende praatjes verkopen aan mijn drietal in de vensterbank. het helpt niets. Helemaal niets. Want na twee weken moet ik de harde werkelijkheid onder ogen zien. Planten en ik gaan echt niet samen. Op internet ga ik nog wel op zoek hoe dit heeft kunnen gebeuren en gelukkig geeft Google mij een soort van excuus: ‘Een cyclaam is een lastige kamerplant want hij moet koel staan. Hij heeft een knol in de grond waar hij voedsel en water in op kan slaan. Daardoor kan hij lang zonder water. Geef maar matig water. Wel is de gekochte kwaliteit vaak erg slecht (ja, dat zal het zijn!) en storten ze in zodra ze in een verwarmde kamer komen. De meeste gaan dood aan teveel water.’ Ik haal mijn lastige kamerplanten uit hun pot en loop ermee naar de groene kliko. Terwijl ik de klep opendoe, ze er in gooi, mompel ik: “Zo, dat was dat”, en doe de deksel met een klap dicht. Ik loop terug naar de keuken en kom tot de slotsom dat je soms bent uitgepraat. Dat de dingen zijn zoals ze zijn. Dat je moet accepteren dat het is zoals het is. Mijn oma had groene vingers ik niet. Ik zet de drie bloempotten in de schuur en mijn neushoornkever weer in de vensterbank. Of zij deze raamdecoratie mooi had gevonden daar heb ik zo mijn twijfels over. Maar dat had ook niet uitgemaakt want ze had vast gezegd: “Mooi Arientje”. Want zo was ze. Mijn oma.

Mijn zoon wordt later een hele goede echtgenoot

Hij heeft het zo lang mogelijk uitgesteld. Maar het moest er toch echt een keer van komen. Nieuwe kleren. Nieuwe schoenen. Mijn puberzoon en winkels zijn nu eenmaal geen goede combinatie. Maar de belofte dat we slechts twee winkels ingaan en daarna gaan lunchen maakt dat we op zaterdagochtend samen de stad ingaan. Alles verloopt prima volgens plan en we hebben het best gezellig zo samen. Na de lunch stoppen we nog even bij de broodafdeling van de Hema en dan gaan we met tassen vol richting de parkeergarage. Ik ben een soort van trots als ik uit mijn tas, zonder zoeken, de parkeerkaart tevoorschijn haal. Maar dan de portemonnee…Ik weet het gelijk. “Stijn”, zeg ik kort en krachtig, “ik heb mijn portemonnee bij de Hema op de toonbank laten liggen. Ik ga er snel heen. Wacht hier. Ik ben zo terug.” Terwijl ik het zeg, geef ik hem het parkeerkaartje en wat tassen. Stijn verblikt of verbloosd niet en wat ook heel belangrijk is hij maakt geen opmerkingen en stelt geen vragen. Hij knikt alleen maar. Ik weet één ding zeker: mijn zoon wordt later een hele goede echtgenoot.

Even later sta ik nogmaals bij de broodafdeling en voordat ik maar iets hoef te zeggen, haalt de caissière de portemonnee al te voorschijn. Oef. Ik ben opgelucht en blij. Ik zag al het geregel van een verloren rijbewijs en zoekgeraakte pasjes in gedachten al voor me. In een euforische stemming loop ik dan ook terug naar Stijn. “Zo”, roep ik hem van een afstandje tegemoet en zwaai met mijn portemonnee, “gevonden!”

Het is druk in de parkeergarage en het duurt even voordat we met de auto bij de slagboom staan. Ik laat mijn raampje zakken en steek mijn parkeerkaart in de daarvoor bestemde gleuf. De slagboom gaat niet omhoog. Er verschijnt echter wel een tekst boven de gleuf in beeld. Een tekst die ik natuurlijk liever niet wil lezen. Ik roep dan ook wat paniekerig: “Shit Stijn, ik ben vergeten te betalen.” Tsja, daar staan we dan. Mijn eerste en achteraf volstrekt dwaze gedachte is om de rij auto’s achter ons iets naar achteren te laten rijden zodat ik kan keren. Ik vraag aan Stijn of hij dat wil gaan regelen. Mijn zoon stapt uit. En zwaait met zijn armen als een soort van verkeerregelaar: ‘Allemaal wat naar achteren’. Ik vind dat hij mijn bedoeling zeer duidelijk laat zien. Maar het levert niet het gewenste resultaat maar luid getoeter op. En toeterende auto’s in een parkeergarage dat geeft een hels kabaal. Ik zie door het zijraampje dan ook het verschrikte hoofd van Stijn die zich geen seconde bedenkt en snel naast mij de auto invlucht met de woorden: “Dit gaat niet lukken, mam! Wat nu?” Maar ik krijg geen tijd om hier over na te denken want ineens uit het niets gaat de slagboom open en galmt er ergens vanuit een intercom een zeer geïrriteerde stem: “Mevrouw, gaat u maar!” Dat doe ik. En wel zo snel mogelijk. Eenmaal uit de garage parkeer ik met een luid kloppend hart mijn auto op de eerste de beste plek die zich voordoet. En zeg zuchtend: “Nou, nou, Stijntje, dat was me weer wat.” Ik weet inmiddels dat er altijd wel wat met mij en het dagelijks leven is. En dat dat altijd wel zo zal blijven. Maar ik weet inmiddels ook dat het merendeel van de mensheid, misschien de één wat meer dan de ander, hier last van heeft. Daar ben ik van overtuigd. Heus.

“Mam”, hoor ik mijn 16 jarige zoon naast me zeggen. Ik kijk hem aan, woel met één hand door zijn krullen en ben benieuwd naar zijn geruststellende woorden. Ik verwacht iets in de trant van: “Ach die mensen met hun korte lontjes; ze kunnen toch best wat aardiger en vriendelijker zijn.” Zoiets. Resultaat van onze opvoeding. Daar reken ik op. Dat wil ik horen. Maar mijn zoon zegt enkel heel droogjes: “We hebben nu wel mooi gratis geparkeerd.” Ik laat zijn relativerende woorden even bezinken en zeg dan: “Ja, ieder nadeel heeft zijn voordeel.” En ik voeg er aan toe omdat ik nu eenmaal uit een ander tijdperk kom : “Dat is een uitspraak van Cruijf, je weet wel.” Stijn, een sportman in hart en nieren, weet het. Hij is het parkeerfiasco al vergeten en komt nu met allerlei voetbalgerelateerde informatie. Ik laat al zijn feiten een beetje boven mijn hoofd zoemen. Start de auto. Kijk nog even voordat ik weg rij naar mijn glunderende Stijn en hoop dat aanstaande woensdag het Nederlands elftal weer boven zichzelf uitstijgt. Want dat soort momenten kent de mensheid gelukkig ook!

Zo. Kleedje erover.

Feestjes vragen tegenwoordig van mij de nodige voorbereiding en nazorg. De voorbereiding is niet zo ingewikkeld. De dag ervoor doe ik rustig aan en op de dag zelf plan ik nog een dutje zodat mijn brein er klaar voor is. Geen enkel probleem. De nazorg, tsja dat is een ander verhaal. Want na een feestje zit mijn hoofd vol. Kan er niks meer bij. En dat heeft gevolgen. De autoritjes (met name op de snelweg) terug naar huis zijn dan ook vaak slopend. Een ware relatietest. De auto’s slaan als een soort van bliksemschichten links en rechts mijn hersenpan binnen. Ik zie overal gevaar. En ik denk dat ik Mark op al dat onheil moet wijzen. Nu weet ieder weldenkend mens dat als de één rijdt, de persoon ernaast zich absoluut niet met de rijstijl van de ander moet bemoeien. Dat is zo zeker als twee maal twee, vier is. Ik doe dit wel. Af en toe. Vaak. Nou ja, eigenlijk continue. Hij zou er zo langzamerhand aan gewend moeten zijn zou je denken. Maar ik weet inmiddels uit ervaring dat bijrijderadvies van je vrouw, nooit went. Nooit en te nimmer. Het brengt alleen maar irritaties en ruzies met zich mee. Vijf minuten snelweg levert, in dit soort situaties, bij ons ongeveer standaard het volgende gesprek op:

(A): “Kijk uit de vrachtwagen wil naar rechts!”

(M): “Arien, hij heeft niet eens zijn richting uit.”

(A): “Zou je niet wat meer afstand nemen, je zit veel te dicht op de auto voor ons.”

Er klinkt alleen wat gegrom en gezucht als antwoord.

(A): “Rij je niet te hard?”

(M): “Ik rij net 100! Je houdt nu je mond of je gaat zelf maar rijden.”

Bij zo’n laatste opmerking probeer ik nog wel gevat te zijn en iets te zeggen in de geest van: “Jij durft, mij laten rijden,” maar ik krijg het niet over mijn lippen. Ik zeg dan even niets meer. Alleen al het idee dat ik op de snelweg achter het stuur zou moeten gaan zitten, doet bij mij het angstzweet uitbreken. Ik was voor mijn hersenontsteking al geen rijwonder (ik ben ooit van de weg gehaald vanwege te langzaam rijden). Maar nu zit ik alleen nog op dijken en provinciale wegen achter het stuur. De periode zelf op de snelweg rijden, heb ik al lang afgesloten. En om ons huwelijk in stand te houden, keer ik meestal op de achterbank, kijkend naar de achterkant van de passagiersstoel, huiswaarts. Maar dat had ik deze keer niet gedaan. Omdat ik dacht dat de stand van mijn hoofd wel meeviel. Helaas blijkt dit, zodra Mark de snelweg opdraait, niet het geval. Ik zit gespannen kaarsrecht met een bonzend hoofd naast hem in de stoel. En mijn volstrekt zinloze adviezen vliegen door de lucht. Ik kan er niks aandoen. Het gaat vanzelf. Heus. Er is geen houden aan. “Laat mij maar op de achterbank”, roep ik dan ook wanhopig na een tijdje. “Arien”, zucht Mark, “ik kan hier toch niet zomaar stoppen en de volgende parkeerplaats dat duurt nog wel even.” Hij heeft gelijk. Maar mijn dochter, die beseft dat er nu iets moet gebeuren, roept vanaf de achterbank: “Mam, hier mijn sjaal, doe die over je hoofd.” Het lijkt mij op dit moment de beste oplossing. Dus zit ik even later met de sjaal van Lot voor mijn ogen gewikkeld. En terwijl ik als een soort van mummie over de A-15 ga, hoor ik eenstemmig een slaak van verlichting door de auto gaan. Rust. Ik laat mijn hoofd achterover tegen de hoofdsteun zakken en sluit mijn ogen. En ineens moet ik denken aan de papegaai die wij ooit vroeger in mijn ouderlijk huis tijdens vakanties weleens te logeren hadden. We kregen er altijd een kleed bijgeleverd. Voor het geval dat het beest hysterisch aan het krijsen sloeg en niet meer wilde stoppen. Dan was het een kwestie van een kleedje erover en klaar. Ik moet tot de conclusie komen dat het ook bij mij werkt. Misschien is het voor meer mensen een idee: last van raaskallende mensen? Gewoon een kleedje erover. En klaar…

Kijkers. Makelaar: “Mevrouw, dat daar. Dat moet weg!”

Ons huis staat te koop. Al lang. Heel lang. Een week of zes terug kregen we, na een hele lange tijd, weer eens kijkers. We hadden ons huis grondig opgeruimd, het plafond in de badkamer gewit, plinten vastgezet en ruimte (oftewel rommel in kasten gepropt en spullen onder bedden verstopt) gemaakt. Het waren deze keer oriënterende kijkers en die kopen niet. Maar toch heeft deze bezichtiging zijn nut gehad. Want toen wij zelf, na de bezichtiging, een rondje door ons huis in topvorm liepen, werden we er blij van. En aangezien ons leven er nu anders uitziet dan in de tijd dat we het te koop zetten, komen we tot de conclusie dat we voorlopig nog niet weg willen. Nog een jaartje of twee willen blijven. Dus eigenlijk moet dat bord uit de tuin. Maar ja, er zullen voorlopig heus geen nieuwe kijkers komen. En ach, dat uit de verkoop halen is ook weer zo’n gedoe. En zo blijft ons huis dus te koop staan.

Maar dan belt opnieuw de makelaar. Kijkers. Ik schrik ervan. Hij vertelt dat hij op vakantie gaat en een collega de bezichtiging overneemt. En aangezien deze meneer onze woning nog niet eerder heeft gezien komt hij een half uurtje eerder. Ik vind het allemaal prima.

Deze keer besluit ik het huis te laten voor wat het is. Natuurlijk wel in (zeer) opgeruimde staat. Maar verder niet. Twee dagen later gaat klokslag negen uur de bel. Een nog jonge man, keurig in pak, bruin met wit gestreepte blouse met stropdas en een aktekoffertje, precies zoals een makelaar betaamt, stapt ons huis binnen. We geven elkaar een hand en hij vraagt of ik er klaar voor ben. Terwijl ik voor hem uit de huiskamer inloop, vraag ik me af of ik hem nu moet vertellen dat we ons huis misschien toch liever niet willen verkopen. Ik besluit al snel dat dit geen handig moment is. Draai me om, om te zeggen: “Ja hoor, helemaal.” Maar zodra ik zijn blik zie, houd ik mijn mond. Hij staat middenin de kamer taxerend om zich heen te kijken. Ik weet dat er iets gaat komen. “Mevrouw…”, en ik voel me net een schoolkind dat door haar leraar terecht wordt gewezen, “…dat daar. Dat moet weg.” Terwijl hij dit zegt, wuift hij met zijn arm naar ons skelet. Harry, zoals wij hem noemen, staat al jaren in onze huiskamer. Ooit stond hij bij manlief, biologiedocent, in het lokaal. Maar omdat het skelet niet helemaal meer intact was, hij mist een teen en een vinger, werd het voor de school tijd voor een ander. En zo kwam het skelet bij ons in de huiskamer terecht. Wij zijn er aan gewend en gehecht. En ik heb nu eenmaal een diep ontzag en bewondering voor het menselijk lichaam. Geraamtes vind ik prachtig. Zo mooi hoe mens en dier in elkaar zitten. Meestal heeft Harry iets op of aan en speciaal voor vandaag had ik zijn bokshandschoenen verwijderd. Maar dat blijkt dus niet voldoende. Hij moet weg. Maar hij is nog niet klaar, onze makelaar, ik zie hem met zijn hand door zijn haar strijken zorgvuldig nadenkend over wat hij verder nog wil zeggen. Een paar tellen later heeft hij de juiste woorden gevonden: “Mevrouw, u heeft wel een heel persoonlijk interieur.” Ik besluit het maar als een compliment te beschouwen. Want ik denk (nou ja, ik vind) dat een huis persoonlijk moet zijn. Maar ik weet ook heus wel dat hij dit niet zo bedoeld. Dus even later loop ik met Harry onder mijn arm naar buiten. Ik overweeg even om hem rechtop in de auto op de passagiersstoel te zetten. Het geeft vast leuke reacties hier op de oprit of straks als ik naar mijn werk rij. Maar dan zie ik het serieuze gezicht van de makelaar voor me en één ding is zeker: hij is niet in voor mijn puberale grapjes. Dus leg ik het skelet keurig plat op de achterbank. Daarna loop ik nog met een opgezette krokodil (erfstuk van mijn vader) en een tas gevuld met persoonlijke interieur naar de auto.

De kijkers komen. Lopen een rondje. Het wordt niets.

Onder het avondeten gaat mijn fantasie met mij op de loop: “Stel dat het wel verkocht was, jongens. Stel dat. Wat dan? Een jaar de wereld rond? Dicht bij de zee wonen? In een stad? Of misschien weer een tijdje in een ander land? Of…” Daan onderbreekt mijn plannen. “Mam, stop maar. Ik wil wel naar Arkel (een dorpje verder, hij weet ook al in welke straat) maar verder vind ik het goed zoals het is!” En ach mijn 13-jarige zoon heeft helemaal gelijk. Het is goed zoals het is. En ooit…nou ja, dat zien we dan wel weer.

Mijn hemel te rijk

In klas een tot en met zes
startte mijn dag met een bijbelles
Kreeg ik keer op keer te horen
dat het mijn taak was dit zware, uitputtende leven braaf en geduldig te doorstaan
Want dan zou na mijn dood, Godzijdank, de hemel voor mij opengaan
De hemel; de plek waarnaar ik moest verlangen, de plek van eeuwige vrede en rust
Maar kon ik daar dansen, lachen, lezen, praten, eten en werd er gekust?
De hemel? Ik kon er niet veel mee
Van hoe het daar zou zijn, had ik werkelijk geen idee
Nu 40 jaar later weet ik het wel
Het zijn vier muren, een voordeur en een bel
Voor mij geen eeuwige rust en engelengezang
Maar knusse knoedels schoenen in de gang
Eten, gelach, sterke verhalen
Matrasjes die in huis ronddwalen
Onderuitgezakt filmpjes kijken
Eindeloos door haren strijken
Discussies die ik steeds vaker verlies
IJs dat verdwijnt uit de diepvries
Een arm om me heen, een zoen op mijn wang
Gewekt worden door vals gezang
Hoofden gebogen over boeken
Steeds de vraag of ik mee wil helpen zoeken
Lange lijven verstopt in bed onder een deken
doen immer en altijd mijn moederhart breken
Ik ben nu al die hemel te rijk
als ik alleen al naar jullie kijk
Ooit gaan jullie verder zonder mij
Dan zal men zeggen: “Ach ja, alles gaat voorbij…”
Maar geloof ze niet, geloof ze niet
Zeg dat jullie moeder het anders ziet
Voor eeuwig en altijd zijn jullie mijn dochter en zonen
Daar kan zelfs de dood niet tussen komen
Mijn liefde voor jullie blijft oneindig bestaan
Twijfel daar alsjeblieft nooit en te nimmer aan.
En duizend maal dank dat jullie drie mij de hemel hebben laten zien
Ik heb werkelijk geen idee waar ik dat aan verdien
Ik die maar wat aanrommel en dingen kan waar geen mens wat aan heeft
Hoop dat jullie later zullen zeggen: wat hebben we een hoop moois, dwaas en liefs met haar beleefd

Ariena

Van die mannen op internet waar je “IEEEUW” van gaat roepen…

SONY DSC

In mijn mailbox lees ik dat de H&M weer aan het inpakken is. Ik vind het altijd een vrolijk bericht. Associeer het met inpakpapier, lintjes en vrolijkheid. Iets van een Sintgevoel. In werkelijkheid stopt de H&M de kleding in doorzichtig folie en daarna in een doorsnee H&M tas. Ik denk dat ze graag zoveel mogelijk wil bezorgen. Stiekem bezig is met het record pakketjes afleveren te verbreken. Immers een bestelling in 1 keer geplaatst wordt bijna altijd in etappes door de postbode gebracht. Zoals altijd is ook deze bestelling voor Lot. Mijn 17-jarige dochter is dol op kleding en alles wat daar bij hoort: schoenen, tassen, sjaaltjes, riemen, kettingen, oorbellen en make-up. Iedere dag gaat zij tiptop gestyled de deur uit. Zij zorgt ervoor dat ik niet met woeste wenkbrauwen en lubberende leggings mijn dagen slijt. Neemt haar taak, waar ik nooit en te nimmer om heb gevraagd van personal styliste/shopper, uitermate serieus. Mijn lieve, koppige, wonderschone dochter heeft niet alleen veel plezier maar ook de nagellak, oorbellen, hakken, hippe jurken en strakke spijkerbroeken in mijn leven gebracht. Inmiddels heeft zij op Marktplaats ook een soort van H&M. Onder het bed van haar broer heeft zij haar magazijn. Soms past het niet allemaal in de bedla of vindt er een reorganisatie in het magazijn plaats en liggen er her en der in zijn kamer stapeltjes kleding. Voor Stijn is dit geen enkel probleem. Hij stapt eroverheen, verschuift wat en gaat tussen de handel van zijn zus onverstoorbaar doen wat hij wil doen. Ik bewonder mijn zoon. Naast haar werk in het magazijn zet Lot hoog in op klantgerichtheid. En heeft ze een heus verkoopconcept bedacht. Haar plan werkt als volgt: ze zoekt zorgvuldig een hele outfit compleet met sjaaltje, tas, riem en sieraden bij elkaar. Daarna trekt ze de kleding aan, hangt wat accessoires om en maakt een selfie. Deze foto (zonder haar hoofd) plaatst zij op Marktplaats onder de categorie kleding. En zo werd, voordat ik het wist, postorderbedrijf Lotte een feit. Ze fietst met pakketjes heen en weer, houdt een administratie bij en vindt het zichtbaar leuk. Ik ben dan ook niet verbaasd als mijn kleine zelfstandige vanachter haar laptop roept: “Mam, er heeft iemand op mijn foto van gister gereageerd. Mooi hè?” Maar ik word wel verrast door haar verontwaardigde “IEEEUW” die even later volgt. Snel loop ik naar haar toe en ga naast haar zitten. Op het scherm zie ik haar foto zonder hoofd. Ze heeft een spijkerbroek en een T-shirt met daarover een vestje aan. Een leuke sjaaltje, een enorme ring en een uilenketting om. Hier is niks mis mee. Daaronder is een reactie geplaatst: “Ik wil even zeggen dat je een mooi figuur hebt.” Bij mij gaat er al gelijk een lampje branden. Maar zodra ik het antwoord van mijn dochter lees, weet ik dat dit bij haar niet het geval was. “Wat aardig van u. Voor dit mooie compliment krijgt u korting.” Ze is wel heel erg klantvriendelijk, schiet er door mijn hoofd. De “IEEEUW” kwam van de volgende zin: “Ik heb geen enkele belangstelling voor je kleding. Ik ben een man. En wil je een compliment geven voor jouw mooie figuur.” Ik zie vanaf mijn stoel hoe mijn daadkrachtige dochter haar winkelconcept aanpast. De hoofdloze foto wordt acuut verwijderd. Ze rent naar het magazijn, komt terug met de outfit, drapeert en stylt deze op de vloer, maakt een foto en zet deze op marktplaats. Ik sla het tafereel ietwat verward gade. In luttele minuten heeft zij haar formule aangepast. Oplossingen zoeken. Inspelen op wat er gebeurt. Zij kan dat. Als geen ander. Ik kan nog een hoop van haar leren.

Narcissen met veel te korte stelen

Ik zie hun silhouetten al door het raam van de voordeur als ik na het horen van de bel de gang inloop. Met een: “Dag meiden”, open ik de deur. Ik krijg een volmondig “Dag juf” terug. Daar staan ze twee prachtdames. Ooit zaten ze bij mij in de klas. En ook al ben ik geen juf meer, voor hen blijf ik juf. Voor altijd. Dat is nou eenmaal zo. Ze zijn weer iets groter. De één heeft het haar korter en de ander heeft haar rode bril ingewisseld voor een paarse. “Juf, we hebben bloemen!” Ach, denk ik, wat lief. Mijn hart wordt een beetje week. Twee meisjes van een jaar of 8. Op mijn stoep. Met bloemen. “Uit welke tuin komen ze?” als antwoord verwacht ik de naam van één van de meisjes te horen. Maar nee. “Nou juf”, zegt het meisje met bril, die een stuk is afgezakt op haar neus zodat haar ogen mij zonder glas ertussen aankijken, “als je deze straat uitloopt en dan daar heen… en dan voorbij het witte hekje…”, ze zwaait met haar armen en de gele narcissen knikken vrolijk mee. Ik ben na twee armzwaaien het spoor al bijster. Geen idee waar die narcissen vandaan komen. “En jullie mochten daar zomaar bloemen plukken?”, vraag ik. “Ja. We hebben het niet gevraagd, hoor. Maar er stonden er zoveel. Dan mag het wel. Echt.” Ik besluit om niet in te gaan op deze logica. “Wilt u een bosje, juf?” “Natuurlijk”, roep ik enthousiast. “U mag er wel twee, als u wilt.” Dat wil ik wel. Ik pak de twee uitgestoken bosjes aan. Wat nog best lastig is aangezien de narcissen net onder de bloem zijn afgeplukt en daardoor erg korte steeltjes hebben. “Dank jullie wel”, zeg ik, “dan ga ik nu een vaas zoeken en ze een mooi plaatsje op tafel geven.” Ik maak aanstalten om de deur dicht te doen maar een verontwaardigd “Juf, u vergeet te betalen” houdt mij tegen. “Betalen?”, vraag ik verbaasd. “Ja, u krijgt deze bloemen natuurlijk niet zomaar”, is de verontwaardigde reactie op mijn vraag, “ze kosten 50 eurocent per bos.” Om haar woorden kracht bij te zetten pint het brillenmeisje, die nu haar handen weer vrij heeft, haar paarse bril weer bovenaan haar neus. “Ja, zegt het meisje met korter haar, want dan gaan wij met de euro naar het snoepwinkeltje. Voor één euro kun je daar zoveel snoep kopen.” Ik zie haar ogen glanzen. En dat is voor mij reden genoeg. Snel pak ik een euro uit de la van het kastje in de gang. Duw het in een gretige hand met de opmerking dat ik voor één keertje, echt maar voor één keertje bloemen koop (want tsja, ik voel de bui van wekelijks bloemen uit steeds weer een ander tuintje boven mijn hoofd hangen). Half rennend met het geld stevig in een knuist gekneld gaan ze ervandoor. En ik ga op zoek naar een vaasje voor een bosje narcissen van een euro met veel te korte stelen.

SONY DSC

Schone schijn of het schone zijn?

Ooit was het voor mij zo vanzelfsprekend. Informatie aanhoren en opnemen. En toen ging het niet meer vanzelf. Ik schrok ervan. Iedere keer weer.

Februari 2011. Thuis had ik het dringende advies gekregen op zoek te gaan naar een nieuw mobieltje. Die van mij dateerde, volgens mijn gezin, uit de prehistorie. En ach, appen en foto’s maken dat leek mij stiekem ook wel wat. Dus trok ik mijn jas aan, deed wat lipstick op en toog naar de KPN-winkel. Een vriendelijke man in een goedzittend zwart pak wekte al meteen de indruk dat hij er wat vanaf wist. Dat was ook zo. Woorden waar ik het bestaan niet eens van wist, laat staan de betekenis, vlogen om mijn oren. Ondertussen liet hij mij van alles zien. Lichte paniek overviel me. Ik kon mijn hersens horen knerpen en sissen op het randje van oververhitting. Het was niet te volgen. Ik kon er geen chocola van maken. Tranen van wanhoop prikten achter mijn ogen. Maar ja, hier kon ik niet gaan huilen. Hier wilde ik niet huilen. Bovendien wilde ik al helemaal niet zeggen dat ik er niets van begreep. Ik was voordat ik het wist een actrice. Speelde mijn rol Oscarwaardig. Liet al zijn goedbedoelde informatie boven mijn hoofd langs zoemen. Ik knikte driftig, lachte vrolijk, humde af en toe en keek ondertussen naar de KPN-meneer tegenover me en kon op zijn gezicht aflezen dat ik het juiste effect bereikte. Namelijk dat ik begreep wat hij zei. Ik speelde een vrouw die de wereld aankon om maar vooral niet dom over te komen. En sloot af met de woorden: “Dank u wel voor alle informatie. Ik denk er nog even over na, zet alles op een rijtje. En dan kom ik morgen terug.” Eenmaal buiten liep ik te snuiven door de straten. Ik was ongenadig tierend kwaad om mezelf. Volkomen van slag. Thuis liet ik me met jas en al op de bank zakken. Nog steeds gierde er woede en wanhoop door mijn lijf. Dat je dit niet snapt, sprak ik mijn zoemende hoofd briesend toe. Idioot. Ineens sprak ik mezelf, voordat de wanhoop me zou overvallen, hardop en kordaat toe: “Nu is het klaar” en ik stond op. Zo erg was het toch ook allemaal weer niet. Tsja, ik vond toch van wel. Ik had gedacht en verwacht dat het mobieltje kopen heel anders zou verlopen. Zo van: “Dag. Ik heb een mobieltje nodig, niet al te ingewikkeld.  Heeft u er zo één voor mij?” Maar toch. Eenmaal in de winkel, ging het anders. De KPN-meneer onderbrak mij al nadat ik enkele woorden had gesproken. Bij “Ik heb een nieuwe mobiel nodig”, riep hij enthousiast: “Er is een nieuwe iPhone uit.” En voordat ik het wist, was het hek van de dam. Kreeg ik een stortvloed aan informatie over me heen. Knikte ik “ja” op dingen die ik helemaal niet wilde en al helemaal niet begreep. Het heeft lang geduurd voordat ik het hardop kon zeggen: “Ik heb een milde vorm van niet aangeboren hersenletsel. Dagelijkse praatjes dat is geen enkel probleem (daar ben ik best goed in) maar nieuwe informatie opnemen gaat bij mij moeizaam en langzaam.”  Dat heeft natuurlijk alles te maken met de werkelijkheid toe laten in je leven, angst en kwetsbaar durven te zijn. Sinds kort werk ik bij de Limonadebrigade in Gorinchem. Daar staat een kassa. Nieuw apparaat, nieuwe handelingen: problemen verzekerd. Nu mag ik daar gewoon zijn wie ik ben. Dus al gaat het 100 x mis (en dat gebeurt)  dan kan ik zonder schaamte iemand roepen. Die mij dan ook nog geruststellend toefluistert: “Heb ik ook hoor. Zo vaak.” En dat doet goed. Vorige week zat ik even met 2 collega’s te praten. Dat juist hoe ouder ik word, hoe minder ik (zeker) weet. Ik kreeg als antwoord dat ik daardoor juist een wijzer mens ben. En wie weet is dat wel waar, ben ik nu wijzer dan ooit. Beschik ik over een intelligentie die zich door geen enkel systeem laat meten. Ik vind het in ieder geval een mooie gedachte. Dus probeer ik mijn eigenwijze hart te volgen en niet meer bang te zijn voor gezichtsverlies. Te gaan voor het schone zijn.

ps.: De iPhone kreeg ik cadeau. Ik ben er erg blij mee. Wat ik wil kan ik inmiddels. En de rest laat ik, tot het nodig lijkt, links liggen…

Mediteren

Inmiddels heb ik (noodgedwongen) geleerd om niets te doen. Het heeft even geduurd voordat ik daarvan kon genieten. Ergens zat nog de stem van mijn vader in mijn hoofd. Hij riep in mijn jeugd als ik midden op de dag wat zat te niksen. “Wat lig je nou lamlendig op de bank, ga eens wat doen!” Mijn vader kon niks doen niet waarderen.

Ik wel. Nu. Enorm. Maar dan nog als ik rust ben ik aan het denken, mijmeren, dromen, bladeren of aan het lezen. Maar overal hoor en lees ik dat je moet leren om helemaal niets te doen. Zelfs niet denken. Niets. Helemaal niets. In mijn leven duikelt een term die verband houdt met dat niets steeds vaker op. Mediteren. Ik wilde het weleens proberen. Want dat zou goed voor me zijn. Ik wist alleen niet hoe. Maar gelukkig las ik in het tijdschrift Happinez dat ik in veertig dagen tijd kon leren mediteren. Dus meld ik me aan voor een internetcursus mediteren en krijg ik binnen enkele dagen een werkboek toegestuurd. Ik lees dat ik in veertig dagen, twintig lessen en twintig smsjes krijg die mij helpen om het mediteren in mijn leven in te passen. Ze wensen me succes bij dit nieuwe avontuur dat mijn leven ongetwijfeld zal verrijken. Mediteren schijnt het best te werken op een vaste fijne plek waar je je thuis voelt. Een vaste fijne plek. Dus bombardeer ik mijn lees/denkstoel tot meditatiestoel en zoek wat kussens en kleedjes. Die kleedjes zijn nodig omdat je door het lange stilzitten behoorlijk kunt afkoelen, aldus het werkboek.

Van dit afkoelen, blijk ik in de praktijk absoluut geen last te hebben. Mijn lijf krijgt geen tijd om af te koelen. Ik geloof echt dat door te mediteren mijn welzijn en geluk toe zullen nemen. Echt. Ik ben ervan overtuigd. Maar toch. Het lukt mij na tien lessen, tsja ik ben eerder gestopt, om vijf minuten te mediteren. En dan is mediteren wel een heel groot woord voor die vijf minuten stilzitten van mij.

Terwijl ik het toch echt heb geprobeerd. Ik heb zelfs mijn dochter ingezet. Want samen, was mijn theorie, zou het misschien wel lukken. Maar zodra er ongeveer vijf minuten mediteren om waren, ging het mis. We kregen de slappe lach, de poes miauwde om ons heen, haar mobiel ging af, ik moest naar de wc, mijn zoon kwam binnen en vroeg zich verbaasd af wat we aan het doen waren, Lot kreeg last van een slapende voet of ik viel zelf half in slaap. Dus heb ik ten einde raad maar besloten mijn werkboek in de wilgen te hangen en mijn meditatiestoel weer gewoon lees- en denkstoel te laten zijn. En ooit zal ik mijn gedachten net als wolken voorbij zien drijven en er vervolgens afstand van doen. Om uiteindelijk alleen maar te zijn.

Maar terwijl ik er wat langer over nadacht, bedacht ik me dat wat me in mijn stoel niet lukt, wel gebeurt als ik fiets. Op mijn racefiets heb ik gedachten zonder echt na te denken, laat ik herinneringen bovendrijven zonder er echt op in te gaan of te zoeken waar ze vandaan komen. Dan lukt het wel om mijn gedachten zachtjes aan de bovenkant van mijn hersenen te laten zoemen. Er gewoon te zijn en een soort van innerlijke vrede, waar mijn meditatiewerkboek het over heeft, te voelen. Daar hoef ik geen cursus voor te volgen. Dat gaat vanzelf. Daar heb ik nooit wat voor hoeven te doen. Ik hoef het niet te doen zoals een ander zegt hoe het moet. Ik mediteer al lang. Maar op mijn manier. Op de fiets. Ik moet er van zuchten. Soms is onverwachte wijsheid zo fijn!

En kan dit op Facebook?

Ik zit gehurkt naast de vaatwasser zo kan ik de schone borden gelijk in het kastje ernaast schuiven. Naast mij smeert Lot, met haar jas alvast aan, boterhammen voor in haar trommel. “Wat ga jij doen vandaag, mam?” vraagt ze. “Nou, ik denk eerst een stukje schrijven en…” maar ik stop met het vertellen van mijn plannen want Lot onderbreekt mij met nog een vraag: “Als het iets is wat je ook op Facebook zet, denk je dan wel aan onze reputatie?”  Ik pak de bestekmand hijs mezelf overeind en laat het bestek rinkelend op het aanrecht vallen. Ik zoek de lepels bij elkaar en leg ze in de bestekbak. Terloops kijk ik even opzij om even te peilen hoe deze vraag bedoeld is. Serieus zo te zien. Ik heb een hoofd waarin altijd allerlei gedachtes rondspoken. En daar moet dus schijnbaar ook nog mijn reputatie op Facebook aan worden toegevoegd. Nu had Lot me al eens eerder aangesproken over mijn Facebookgedrag. Zo waren mijn verhaaltjes, volgens haar, veel te lang. Dat hoorde niet. Na deze opmerking had ik mezelf verdiept in het fenomeen. Want tot twee maanden terug leidde ik een totaal Facebookloos bestaan. En ach misschien was enige kennis rondom dit media wel op zijn plaats. Ik las dat Facebook vooral bedoeld is om de mooie en leuke dingen van je leven te etaleren. Je zet er alleen superleuke evenementen, uitstapjes, foto’s (heel vaak bewerkt zodat je even geen rimpels hebt), goed gelukte maaltijden en fijne aankopen op. En daar is natuurlijk helemaal niks mis mee. Ik klik dan ook vrolijk op ‘vind ik leuk’ of plaats een reactie. Maar het nadeel schijnt te zijn dat daardoor het idee ontstaat dat bij andere mensen het gras zoveel groener is. Deskundige spreken al over het facebookeffect: het feit dat mensen somber worden van social media, omdat je je leven steeds langs de lat legt van de succesvolle foto’s van andere. Met mijn eigen deskundigheid, voor wat het waard is gezien mijn aantal vrienden en mijn periode op Facebook, vul ik de geleerden toch nog even aan. Want ik zie ook genoeg moois langskomen. Oude contacten die opbloeien. Muziek,  kunst, nieuws, geschrijf en niet alleen het wel maar ook het wee kan worden gedeeld. En verder is het natuurlijk, zoals zoveel in het leven, heel veel relativeren. Mijn mooie momenten vergeet ik vaak vast te leggen. En de keren dat ik er dan een foto van maak,  komt het niet in mij op om deze op Facebook te plaatsen. Bij mij werkt dat simpelweg niet. Ik schrijf liever iets. En plaats dat. Geen idee wat hoort. Ik doe eigenlijk ook maar wat. En wil iemand het niet lezen dan hoeft dat toch niet? Ik bekijk ook niet al die filmpjes die langs komen. Maar mijn reputatie? Op Facebook? Dan schiet me wat te binnen en ik zeg: “Lot, jij bent juist degene die mijn reputatie volledig om zeep heeft geholpen. Weet je nog? Het dansfilmpje?” Er verschijnt gelijk een lach om haar mond en in haar ogen. Ik dans (of misschien is bewegen een beter woord) zo af en toe op muziek door de huiskamer. Ik maak mij geen enkele illusie over mijn danskwaliteiten. En daarom dans ik alleen in het bijzijn van man en kinderen. Thuis. Lot had enige tijd terug, zonder dat ik het wist, het half huppelen van mij op muziek gefilmd en dat op haar Facebook gezet. En ze kwam een klein halfuurtje nadat ze het geplaatst had vol trots vertellen hoe vaak mijn dansje al geliked was. En geloof me geen enkel verhaaltje van mij zal dit record ooit kunnen verbreken. Haar vreugde was echter van korte duur. Want het filmpje moest eraf en wel onmiddellijk. Ik kon niet voorkomen dat diezelfde avond tijdens de diploma uitreiking van Lot een ouder naar mij toekwam en mij toefluisterde dat ze zo enorm genoten had van mijn dansfilmpje. Met het schaamrood op mijn wangen zei ik dat ik even naar het toilet moest. Daar heb ik even een paar keer diep adem gehaald voordat ik mezelf weer durfde te vertonen. “Dus lieve Lot dat juist jij over onze reputatie begint.” “Ja maar mam, foto’s van wasgoed, een vol aanrecht of slechte cijfers dat doet niemand. Echt niet.” antwoordt mijn dochter stellig. Maar ik weet dat ik niet zoveel heb met perfecte plaatjes. Je kan het alleen maar mooi vinden. En dat is toch een beetje saai. Juist de chaos, het niet kloppen, de rafelrandjes en foutjes leveren vaak een glimlach of herkenning op en daar hou ik zo van. Ik wil mezelf en waar ik mee bezig ben niet te serieus nemen. Wat vaker knipogen. Maar dan nog wil ik ook niet alles de wereld ingestuurd hebben. Dus begrijp ik haar en vraag ik: “Vind je het erg?”  “Eigenlijk vind ik het wel leuk mam dat je het net anders dan anders doet. Maar er zijn wel grenzen.” Nu ben ik benieuwd. Ik stop met het uitzoeken van het bestek want wat voor een censuur gaat mijn dochter mij opleggen. Lot stopt haar boterhammen in haar trommel, klapt de deksel dicht en zegt: “Een foto van een vieze wc of een vieze badkamer dat kan echt niet.” Opgelucht geef ik haar een knuffel want dat is geen enkele probleem immers vieze wc’s of een vieze badkamer die kennen we in huize Ruwaard niet…

Famia koko palu

…alles wat ik vind, maak en waar ik van hout

Ons verblijf op Curaçao is van grote invloed geweest op de inrichting van ons huis. Eindeloos veel schatten zijn daar gevonden. We bleven op dit eiland maar jutten, rondstruinen en grasduinen. De hele familie verzamelde juthout. Thuis werden er kunstwerken maar ook tafels, kasten en stoelen van al dat drijfhout gemaakt. Natuurlijk moesten al onze vindsels mee terug naar ons koude kikkerlandje. Voor de schelpen, het koraal en de fossielen hebben we netjes toestemming gevraagd. Na verschillende balies en stempels mocht alles mee. Een ware volksverhuizing! Ik zie de verhuizers nog met volle verbazing vragen: “Moet dit ook mee?” wijzend naar een krat met drijfhout. “Ja”, zei ik zonder blikken of blozen. De krat werd daarna leeggekieperd in een verhuisdoos. En door een lichtelijk verbaasd kijkende verhuizer dichtgetapet. Of: “Euh mevrouw, die kokosnoten en de palmboom?” Een korte knik van mijn kant was voldoende. De verhuizer deed, wel met opgetrokken wenkbrauwen, wederom wat er gevraagd werd.

Nog steeds struin ik overal langs kusten. Eindeloos veel houtjes verzamelen om er daarna mijn eigen kunstwerken van te maken. Het gevonden hout ligt als een berg op zolder. Ik pak het vast, leg het neer, schuif, boor en zaag. Het rommelen met al dat drijfhout geeft rust in mijn hoofd. Zomaar een half uurtje met houtjes schuiven is heerlijk. Het doet me goed.

Mei 2013

Mijn creatieve zus, met een eigen atelier, belt. Ze heeft een kraam gehuurd op een Fair bij mij in de buurt. “Kom ook”, roept ze enthousiast door de telefoon, “dan kun jij wat drijfhoutwerk op de kraam zetten. Ik heb nog wel wat ruimte over. Misschien verkoop je wat.” Mijn fantasie slaat gelijk op hol. Ik voel dat ik ontdekt ga worden. De woonbladen zullen mijn kunst oppikken. Piet Hein Eek zal mijn werk bewonderen. Ik ga mijn hout verkopen. Een leven vol jutten en met houtjes schuiven dat moet ik wel aankunnen. Daartoe ben ik wel in staat. Ik kijk gauw op internet om uit te zoeken wat voor een prijzen ik op het werk moet plakken. Ik vind niets vergelijkbaars. Dus bedenk ik zelf maar wat. Er schiet me tussendoor ook nog een naam te binnen voor het in mijn hoofd net opgestarte bedrijfje ‘Zoet en Zout’. Al het zelfgemaakte drijfhoutwerk wordt van de kast en de muur gehaald en in de auto gelegd. Bovenop leg ik voorzichtig een klapstoel om straks lekker te kunnen zitten. Onderweg in de auto gaat mijn hart naast Mark vrolijk tekeer. Ik heb er alle vertrouwen in. Mensen om mij heen reageren immers regelmatig op mijn drijfhoutkunst. Misschien hadden de termen waarin dat gebeurde: ‘bijzonder’, ‘origineel’, ‘echt iets voor jullie’, ‘apart hoor’, mij al moeten waarschuwen. Maar goed. We hebben een leuke middag op de Landgoedfair, daar niet van. Lekker in het zonnetje, leuke mensen, fijne gesprekken en complimenten maar gelukkig betaalt zuslief de kraamhuur want mijn hele omzet is aan het eind van de middag welgeteld 12 euro. Niet verdiend met iets creatiefs. Maar met een roze kitscherige lamp die eens in de kamer van Lot hing. En die ik, net voor vertrek, achter het schot op zolder had gepakt en in de auto had gepropt. Met het idee dat het misschien verkoopbaar was. Terug in de auto zegt Mark: “Weet je Arien, we zijn wel uniek. Niemand heeft het werk van ‘Zoet en Zout’ aan de muur hangen. En ach dat is dan wel weer een relativerende en troostrijke gedachte.

En dan nu een klein jaar later krijg ik een verzoek om mijn werk te laten zien. Niet verkopen (want tsja, een mens wil nu eenmaal niet alles in huis) maar exposeren. Een stukje verwondering en bewondering oproepen. Of ik dat wil. Ooit heb ik iets gelezen, uitgeknipt en op de wc gehangen en deze tekst gonst nu in mijn hoofd. Betaald krijgen voor iets wat je leuk vindt, kan minder creatief maken. Het is dus helemaal niet erg als je creatieve hobby gewoon een hobby blijft (Bron: Psychological science). Mooi nieuws. En toch. Stel dat je hele leven een soort van creatieve hobby dreigt te worden. Wat dan?

Voor en zesje…

Met een volle wasmand loop ik naar zolder. Onderweg werp ik een blik in de kamer van Daan. Hij zit achter zijn bureau met een elleboog naast zijn boek en een hoofd dat in zijn hand leunt. Op zijn hoofd heeft hij zijn koptelefoon en terwijl hij in zijn boek kijkt, murmelt hij wat. Ik denk dat het toverspreuken zijn. Immers Daan staart vaak in boeken en hoopt (en denkt!) dat op deze manier Franse en Duitse woordjes in zijn brein worden opgeslagen. Met een lege wasmand kom ik even later terug en zie Daan nog steeds in dezelfde houding zitten. “Daan”, roep ik. Er komt geen reactie. Ik loop naar hem toe en zodra ik in beeld ben, zet hij zijn koptelefoon af. “Nou, wat goed dat je met huiswerk bezig bent”, zeg ik misschien iets te opgewekt. Want immers je moet altijd met iets positiefs beginnen. De juf in mij is er nog steeds. “Ja”, zucht Daan. Diep. Heel diep. “Waar ben je mee bezig?” vraag ik. “Met Duits”, en wederom zucht Daan. Diep. Heel diep. En in een flits zie ik mezelf. Ooit heb ik ook zo gezeten. Ik herken zijn tegenzin. Maar ik weet van zijn tekortpunten en van zijn goede voornemens om hier wat aan te doen.

“Daan is dit de manier om deze woordjes echt te leren? (vreselijke vraag ik weet het). Ik denk dat je het beter op wrts (een computerprogramma om woorden te oefenen) kunt doen.” “Nee, lukt best zo”, zegt Daan. Ik wil hem nog wat extra motiveren, een hart onder zijn riem steken en hang een verhaal op over hoe belangrijk Duits kan zijn. Voor later. Voor vakanties. En ja, daar gaat het mis. Eens keken mijn kinderen tegen mij op, geloofden ze nog in al mijn praatjes. Nu niet meer. Helaas. “Het is allemaal zinloos, mam. Later ben ik alles weer vergeten. Net als jij. Weet je nog?” Nu zucht ik ook. Natuurlijk weet ik het nog. En mijn kinderen ook. Voor altijd. Ooit heb ik in Duitsland na een vermoeide dag naast Mark in een plaatselijk VVV gestaan. Mark werd uitvoerig geholpen en ik stond er geheel in gedachten verzonken naast. Ineens kwam er vanachter een deur nog een medewerker te voorschijn en stelde mij een vraag. Mijn hersens moesten schakelen. De vraag had ik niet begrepen maar toch gaf ik, terwijl ik wees naar Mark, braaf antwoord: “Ich hoer bij ihm.” Ik hoorde het mezelf zeggen. En achter mij had ons drietal het ook gehoord. Er werd gehoest en geproest en tussendoor hoorde ik een aantal malen hoer, hoer. Ik heb mijn schouders opgehaald en ben buiten, mezelf afvragend hoe mijn ruim 3 jaar vwo Duits in het grote niets kon verdwijnen, op een bankje gaan zitten. Wetende dat ik deze verwarde uitspraak de hele vakantie en naar ik vreesde de rest van mijn leven zou blijven horen. Ich hoer bij ihm. En nu kwam hij dus weer langs. Oké, het argument voor later is van tafel geveegd. Even flitst Einstein door mijn hoofd. Ik heb een tijdje terug een documentaire van hem om tv gezien. Hij hield ook niet van talen. Heeft geen middelbare schooldiploma en heeft zich volledig gestort op de vakken die hij wel boeiend vond. En ach, die man is toch aardig goed terecht gekomen. Maar omdat dit waarschijnlijk niet motiverend gaat werken, hou ik hierover mijn mond. Ons schoolsysteem wil nu eenmaal dat je ook dingen leert die je eigenlijk liever niet leert. Ik denk aan een andere wijze man, mijn man. Mark.
Gisteravond nog hebben we een gesprek gehad over de beren die ik alsmaar weg wil jagen. Dat ik zo graag wil dat alles voor onze kinderen mooi, lief, leuk en gezellig is. En dat ze vooral die dingen moeten doen waar ze blij van worden. Omdat dat dwaze hart van mij ze zo graag gelukkig wil zien. Maar dat het leven nu eenmaal niet altijd leuk is. Er altijd dingen zullen zijn waar je geen zin in hebt. Die moeten. Klaar. Dus stel ik voor om de woordjes beneden te oefenen. En tot mijn verbazing volgt er geen protest. Daan pakt zijn boek en laptop en sloft achter mij aan de trap af. Even later zit hij tegenover mij aan tafel. “Ik oefen wrts tot een 6 want dat is voldoende”, sputtert hij nog even. Ik ken de cijfers van Daan voor Duits en denk: ‘Poeh, hij zet hoog in.’ Maar ik hou wijselijk mijn mond en ga door met het lezen van de krant.

Maar dan. De volgende dag. Een app van Daan. Ik moet naar de stad voor iets lekkers. Want. Tsja. Een 7 voor Duits dat moet je vieren!

Sporen van liefde

Vol aanrecht

Ik heb de familie uitgezwaaid. Tap een bak koffie en start mijn laptop op om te doen wat ik zo graag doe. Een beetje nadenken en schrijven. Niets hoogdravends. Niets literairs. Niets schokkends. Geen meesterwerk. Alsof ik dat zou kunnen. Maar gewoon wat schrijven over het leven van alledag. Vastleggen voor later.

Ik denk: even een uurtje schrijven en daarna ga ik me op het huishouden storten. We zijn een beetje te laat opgestaan en dat geeft chaos. Grote chaos. Maar ik vergeet de tijd en het gerinkel van mijn mobiel haalt me terug in het hier en nu. “Hoi Arien, komt het uit als ik snel een bakkie kom doen, ik ben in de buurt?”  “Natuurlijk”, geef ik als antwoord en kijk ondertussen taxerend naar mezelf en om me heen. In een half uurtje valt er voor het oog genoeg recht te strijken is mijn conclusie. “Oké”, hoor ik deze goede kennis in mijn oor zeggen, “ik ben er al bijna, over een kleine vijf minuutjes sta ik bij je op de stoep. Tot zo!” Ik leg mijn mobiel neer en twijfel geen seconde. Ik kies voor mezelf.

Snel trek ik iets fatsoenlijks aan, doe wat mascara op en dan gaat de bel al. Terwijl ik naar de voordeur loop, strijk ik met mijn hand nog wat door mijn haar.

Mijn bezoek komt als een wervelwind binnen en voordat ik het weet staat ze in de huiskamer. Ik heb nog niets kunnen zeggen. Ik start met het ophalen van mijn schouders en wil me verontschuldigen voor de rommel maar ze is me voor. “Wauw Arien, wat straalt de liefde mij in jullie huis toch altijd tegemoet.” Ik ben even sprakeloos. Liefde als eufemisme voor chaos. De schoenen over de vloer, de kruimels op de bank, het wasgoed op de stoel, overal verdwaald serviesgoed, rondslingerende tijdschriften en boeken, het volle aanrecht het is allemaal liefde. En ik ben om. Laten we de rommel in huis gewoon als sporen van de liefde zien. Ons daarover niet zo druk maken. Het geeft niet. Het is niet zo erg. Welnee, het is allemaal liefde!

Ik lach, geef haar een zoen en zeg: “Koffie?”  “Graag”, is haar reactie. Waarop ik zeg: “Je weet waar de koffiemachine staat, zet er een kopje onder en druk op de grote knop. Terwijl jij dat doet zal ik even wat sporen van liefde aan de kant schuiven zodat we kunnen zitten.”

Een wazige selfie en moeders lijkt nog wat…

Ik zit met een vriendin in een gezellig café. Zo’n café waar jong en oud door elkaar heen zitten en er een klein achtergrond muziekje klinkt. We komen hier wel vaker. Om bij te praten. We belanden van het ene onderwerp (wat doen we als we 50 worden; dit duurt nog heel, heel erg lang maar we worden het allebei in dezelfde week), in het andere (hoe dat passend onderwijs maar niet wil passen). Er is een onderwerp waar we wat langer over doorratelen. De botox. Eerst was dit nog een ver van ons bed show. Maar nu zijn er in onze kennissenkring vrouwen die regelmatig een spuit nemen. Wij zijn er stellig van overtuigd dat wij dit nooit zullen doen. Nooit. Ten eerste omdat wij het simpelweg niet durven en ten tweede omdat Linda de Mol er toch echt niet knapper op geworden is. Wij gaan gewoon stijlvol oud worden. Dat is het plan.

Om een uurtje of 11 lopen we naar de bar om af te rekenen. Daar staan twee (echt best wel hele leuke mannen) ze vragen of we zin hebben in nog een drankje, in een avond samen. Lachend lopen wij naar buiten roepend: “Zie je wel, wij hebben nog lang geen botox nodig.”

Voor het gemak vergeten we dat het best wel schemerig was daar binnen, de mannen misschien een glaasje te veel op hadden of gewoon volslagen wanhopig waren.

De volgende ochtend is de avond (dat gebeurt bij mij ook zonder alcohol) in mijn hoofd gaan zitten. Ik stap, nadat ik al 3 keer voor het ontbijt naar beneden ben geroepen, uit bed. Onderweg naar beneden werp ik een blik in de spiegel. Ik zie een complete ramp. Er is maar een conclusie mogelijk: ik zie er net zo uit als dat ik me voel.

Ik schuif aan bij het ontbijt. Verbaas mij wederom over de hoeveelheid voedsel die onze pubers op hun bord hebben liggen. En ik neem een slokje van mijn afgekoelde koffie en een muizenhapje van mijn croissant. Lot vraagt: “En was het gezellig mam, gisteravond?” Ik vertel over de twee mannen. En dat als je wilt op mijn leeftijd nog steeds een man kunt opduikelen voor een nacht.

“Maar goed dat jij dit soort dingen niet doet mam”, is de reactie van Daan, “die man was zich vanmorgen rot geschrokken.”  Oef, denk ik, ergens  tussen gisteren en vandaag is onze lieve kleine Daan veranderd in een puber met rake opmerkingen.

“Tsja”, vult Lot droogjes aan, “je bent nu eenmaal een oude, warrige vrouw, ma”. Ik zeg zuchtend: “Ik voel me al belabberd en van deze opmerkingen ga ik me echt niet beter voelen, jongens.”

“Nou ja, een beetje een wat oudere vrouw dan. Zo beter?”  Het was eerder een constatering dan een vraag van Lot. En ach, er valt ook eigenlijk niets tegenin te brengen. Er zit maar 1 ding op. Terug naar bed. Een dutje doen. Ik denk de hele dag. En dat mag nu. Want ik ben een oude, warrige vrouw. En die doen dutjes, heel veel dutjes. Dat dan weer wel.

Het moet anders

In mijn vorige leven, mijn juffenbestaan
had ik rond deze tijd al het nodige gedaan
Dan had ik in de kring gezeten
Wat uitgelegd over passen en meten
In zinnen het onderwerp laten zoeken
De kinderen stil, heel stil laten lezen in boeken
Pauze gehouden, gepraat en wat getekend
Mijn dag was gevuld, ik had wat betekend
Maar wat had ik vandaag de dag zoal gedaan?
Nou ja, ik ben gestopt met doorgaan
Ik heb de handdoek in de ring gegooid
Veel en veel te lang heb ik maar wat aangeklooid
Onnoemelijk, onmetelijk, verlammend moe
Ik geef me over, het is klaar, ik geef toe
Dit slopende gevecht ga ik nooit en te nimmer winnen
Samen met mijn dierbare lijf, gehavende brein
en kloppend hart ga ik een ander leven beginnen
Nu lig ik op de bank en word gestreeld
door zachte, aarzelende zonnestralen
En het enige wat ik hoef te doen is rustig ademhalen
Ik hoor mijn hart dat onverstoorbaar klopt
als een djembee onder mijn huid
Ik-leef, ik-leef, ik-leef, drumt het uit
Ik voel er komt een eind aan dit wanhopig treuren
Het komt goed er gaat iets gebeuren
onbenoembaar, niet te zien, niet te horen of te raken
Maar voordat ik me weer bij elkaar kan rapen
Mag ik slapen eindeloos slapen, dagenlang
Staat mijn leven in sukkelgang
Verschans ik me als een dier in zijn hol
Maak ik mijn tijd met lanterfanten vol
En bedenk net voordat ik weer indommel in de zonneschijn
Ik ga mezelf weer toestaan om gelukkig te zijn

Ariena, november 2012

Sinterkerst

Windstoten, regen en kans op hagel. Code rood. Sint mag vanavond met zijn paard het dak niet op. Ik wil mijn twee puberzonen niet in dit weer de dijk over laten fietsen en zeg: “Ik breng jullie wel.” Gelijk wordt er driftig op mobieltjes gedrukt en hoor ik even later waar ik overal moet stoppen. Ik haal een borstel door mijn haar, trek mijn jas over mijn pyjamabroek aan en schuif mijn voeten in een stel afgetrapte gympen. Dat douchen komt straks, denk ik.

Een half uurtje later heeft taxi Ruwaard iedereen afgezet. Weer onderweg naar huis gaat mijn mobiel. Ik ben al lang niet meer goed in twee dingen tegelijk dus stop ik bij de eerste mogelijkheid: naast een kerstbomenkraam bij tuin-centrum Sterk. Ik doe de motor uit, praat, luister, lach en schrik. “Shit”, roep ik hardop, “ik heb de lampen aan laten staan.” Gisteren, na het boodschappen doen, wilde mijn auto niet starten. Een vriendelijke man is toen met startkabels in de weer geweest. De motor draaide al snel en ik kreeg het advies om een goed stuk te rijden. Zo zou de accu zich verder opladen. Ik weet dat ik dat advies niet heb opgevolgd. Ik probeer te starten. Er gebeurt niks. Ik slaak wat kreten en hoor aan de andere kant van de lijn gelach. “Lach maar”, mopper ik, “maar soms word ik zo moe van mezelf.” “Is er wel iemand die je kan helpen”, krijg ik als reactie. “Ja, de kerstbomenman”, antwoord ik, “en tot nu heb ik geen enkele klant gezien dus hij heeft vast de tijd om mij te helpen.” Ik opper nog dat heel misschien als ik nog even wacht en het opnieuw probeer de motor toch gaat draaien. Maar ik krijg als antwoord, wat ik natuurlijk ook allang wist, dat sommige dingen nooit vanzelf goed komen.

Ik zucht, beëindig het gesprek en raap mijn moed bij elkaar. Dan stap ik uit de auto en loop naar de in regenpak gehulde  kerstbomenman. Terwijl ik over het bellen en de brandende lampen vertel, trek ik mijn jas zover mogelijk naar beneden en hoop dat mijn pyjamabroek voor een soort hippe legging door kan gaan. De kerstbomenman verblikt en verbloosd niet en vraagt: “Heeft u startkabels?” Wauw, een onverstoorbare man met daadkracht. Ik sluit hem gelijk in mijn hart. “Ja, dat weet ik”, zeg ik opgelucht (sinds gister weet ik dat ik ze heb en waar ze liggen). Ik pak de startkabels en de kerstbomenman rijdt zijn bus vlakbij mijn auto. Terwijl hij de tangen op verschillende plekken vast knijpt, begint hij een verhaal over plussen, minnen en de cirkel die rond moet zijn. Ik knik en denk dit zijn wel heuse decembertermen. Maar de plussen, de minnen en de ronde cirkel associeer ik met weloverwogen, alles op een rijtje hebben. En ach, dat ontbreekt bij mij. Ik rommel zo vaak maar wat aan. Misschien.. Maar al snel moet ik stoppen met mijn gemijmer er moet gestart worden. Ik steek de sleutel in het contact en beloof mezelf dat ik over Rotterdam terug rij naar huis. Dit gaat me niet nog een keer overkomen. Die ezel wil ik niet zijn. Ik start. Maar helaas de auto doet niets. Helemaal niets. “Wegenwacht? “, hoor ik de kerstbomenman opperen. Gelukkig daar ben ik lid van. Snel pak ik mijn mobiel. En natuurlijk: ik heb geen beltegoed meer. “Um”, aarzel ik. Verder hoef ik niets te zeggen want naast me hoor ik “ U mag mijn mobiel lenen hoor! “ Ik ga straks een kerstboom kopen, denk ik. Ik heb nog nooit van mijn leven in mijn eentje een kerstboom gekocht en al helemaal niet op 5 december. Maar nu moet het!

De wegenwacht heeft een wachttijd van een uur. Het waait, regent en nog steeds is er geen klant te bekennen. De kerstbomenman nodigt mij uit voor een kopje koffie in het tuincentrum. Eenmaal binnen vertelt hij over de zware tijden. De moordende concurrentie van de Ikea en de Intratuin die kerstbomen voor een prikkie aanbieden. Maar dat hij vertrouwt op zijn vaste klanten en zijn hoge kwaliteit (dus geen Ikea) bomen. De wegenwacht komt en ja het is toch de accu maar hij heeft betere kabels. Vijf minuten later draait de motor weer. Ik geef de kerstbomenman  een hand. Maak nog snel een foto met mijn mobiel en wens hem succes. Hij zegt: “Het komt goed, mevrouwtje. Misschien kunt u de foto die u gemaakt heeft op facebook zetten. Een beetje reclame voor mij maken.” Ik knik (terwijl ik weet dat er 1 probleem is: ik heb geen facebook), zwaai en rij weg. En dan ineens onverwacht, met de kerstboom achterin, ben ik op deze 5 december ontroerd door deze lieve, dappere, behulpzame, kerstbomenman en heb ik toch maar mooi dat kerstgevoel alvast te pakken.